ECLI:NL:RBMNE:2021:5016

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 september 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
UTR 20/2774
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:5 AwbArt. 8:54 AwbArt. 26 Invorderingswet 1990Art. 30 Invorderingswet 1990Art. 49 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen afwijzing kwijtscheldingsverzoek belasting

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Belastingdienst van 19 juni 2020 waarin een verzoek om kwijtschelding van belastingvordering werd afgewezen. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak geen beroep bij de bestuursrechter mogelijk is tegen besluiten op grond van de Invorderingswet 1990, behalve voor enkele uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn.

De rechtbank stelt vast dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat zij zich onbevoegd verklaart kennis te nemen van het beroep. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid om een civiele procedure te starten als hij meent dat de afwijzing onterecht is.

Er is geen zitting gehouden omdat dat niet nodig werd geacht en er is afgezien van het heffen van griffierecht vanwege de onbevoegdheid van de bestuursrechter. De uitspraak is gedaan door rechter B. Fijnheer en griffier J. Fagel was aanwezig, maar de griffier was verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2774

1.a

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 19 juni 2020.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Eiser is in beroep gegaan tegen de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding op grond van artikel 26 van Pro de Invorderingswet 1990. Eiser voert aan dat het verzoek niet conform de procedure verloopt.
3. Heffing en invordering van belastingen is gebaseerd op de Invorderingswet 1990. Kwijtschelding is geregeld in artikel 26 van Pro die wet. Op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Awb en artikel 1 van Pro de bij de Awb behorende bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen een besluit op grond van de Invorderingswet 1990, met uitzondering van besluiten die op grond van de artikelen 30, 49 en 62a van deze wet zijn genomen.
4. Gelet op bovenstaande kan er geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. Eiser kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter instellen op de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde wijze, indien hij vindt dat verweerder zijn verzoek om kwijtschelding ten onrechte heeft afgewezen.
5. De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
6. Omdat de bestuursrechter zich onbevoegd verklaart, is afgezien van het heffen van griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van
J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd rechter
deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.