ECLI:NL:RBMNE:2021:5041
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vastgestelde WOZ-waarde van een in 2001 gebouwde rijwoning in Utrecht centraal. De gemeente Almere stelde de waarde voor belastingjaar 2020 vast op €301.000,-, welke eiseres betwistte en een lagere waarde van €284.000,- voorstelde. De rechtbank toetste de onderbouwing van de gemeente, die een taxatiematrix met vijf vergelijkbare referentiewoningen overlegde.
De rechtbank oordeelde dat de gemeente voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De referentiewoningen waren vergelijkbaar qua ligging, bouwjaar en grootte, en de prijs per vierkante meter lag in lijn met de gehanteerde waarde, waarbij ook rekening was gehouden met de mindere staat van onderhoud van de woning.
De door eiseres aangevoerde bezwaren, waaronder het gebruik van andere referentiewoningen, achterstallig schilderwerk, gedateerde voorzieningen en vochtproblemen, werden door de rechtbank niet gevolgd. De gemeente had deze aspecten naar het oordeel van de rechtbank adequaat verwerkt in de waardering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg op 15 oktober 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €301.000,- wordt ongegrond verklaard.