Eiseres diende twee subsidieaanvragen in voor vergoeding van kosten van medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Verweerder wees deze aanvragen af op grond van het bestaan van een opgeschorte zorgverzekering vanwege detentie en het bestaan van verzekering volgens het RBVZ-systeem.
De rechtbank oordeelt dat een redelijke uitleg van de Subsidieregeling meebrengt dat een patiënt onverzekerd is indien uit VECOZO blijkt dat geen verzekering bestaat. Verweerder kan een aanvraag niet weigeren op basis van andere informatie uit RBVZ, omdat zorgverleners niet kunnen controleren op opschortingen of detentie.
Verder concludeert de rechtbank dat eiseres voldoende inspanningen heeft verricht om zorgkosten te verhalen en dat de afwijzing op grond van artikel 3, vierde lid, onder a, van de Subsidieregeling onterecht is.
De bestreden besluiten zijn bovendien door een onbevoegde medewerker genomen, wat ook onrechtmatig is. De rechtbank vernietigt de besluiten, verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen acht weken nieuwe besluiten te nemen, met vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiseres.