ECLI:NL:RBMNE:2021:5078

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juni 2021
Publicatiedatum
20 oktober 2021
Zaaknummer
UTR 19/3915-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 101 Reglement rijbewijzenArt. 103 Reglement rijbewijzen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen dwangsom bij niet tijdig beslissen op aanvraag Verklaring van geschiktheid

Deze uitspraak betreft het verzet tegen een eerdere uitspraak waarin de rechtbank had geoordeeld dat opposant een dwangsom verschuldigd was wegens niet tijdig beslissen op een aanvraag voor een Verklaring van geschiktheid.

Opposant had de aanvraag ontvangen op 31 mei 2019, maar nam pas op 22 oktober 2019 een besluit. Na ingebrekestelling op 2 september 2019 stuurde opposant op 3 september 2019 drie verwijzingen naar artsen, wat volgens hem voorbereidingshandelingen zijn die de dwangsomregeling uitsluiten.

De rechtbank oordeelt dat opposant vanaf het moment van de verwijzingen niet langer in verzuim was en dat de dwangsom niet verschuldigd is. Het verzet is daarom gegrond en het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen nader onderzoek nodig en de uitspraak is direct gedaan.

Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard en het beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3915-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2021 op het verzet en op het beroep van
[opposant] ,te [vestigingsplaats] , opposant,

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat door mevrouw [A] ( [A] ) is ingediend op 7 oktober 2019 omdat opposant niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om een Verklaring van geschiktheid. Opposant heeft op 22 oktober 2019 alsnog een besluit genomen. [A] heeft de rechtbank gevraagd in het beroep uitspraak te doen over de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij niet tijdig beslissen.
In de uitspraak van 13 oktober 2020 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
De zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Opposant is verschenen. Namens [A] is haar gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 13 oktober 2020 het beroep gegrond verklaard, omdat opposant niet op tijd een besluit had genomen, en opposant dan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat hij in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze verzetsprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of de uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2020 in stand kan blijven. Zo ja, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2020 niet juist. Opposant meent dat er overeenkomstig het bepaalde in wet- en regelgeving is gehandeld. De aanvraag ter verkrijging van een Verklaring van geschiktheid, de Gezondheidsverklaring, is op 31 mei 2019 door opposant ontvangen. Op grond van artikel 103 van Pro het Reglement rijbewijzen registreert opposant in het rijbewijzenregister een Verklaring van geschiktheid indien de aanvrager voldoet aan de eisen van geschiktheid zoals vastgesteld in de Regeling eisen geschiktheid 2000. Deze registratie vindt plaats zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst. Dit is niet binnen die termijn gebeurd en opposant heeft dan ook begrip voor het feit dat hij op 2 september 2019 in gebreke is gesteld. Opposant heeft de ingebrekestelling ontvangen op 3 september 2019. Diezelfde dag heeft opposant drie verwijzingen verstuurd. Opposant kan dit doen op grond van artikel 101, eerste lid van het Reglement rijbewijzen. Een verwijzing naar een arts is een voorbereidingshandeling. Uit de Nota van toelichting op het besluit van 14 oktober 2010 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen volgt dat de dwangsomregeling als neergelegd in de Awb niet van toepassing is op een voorbereidingshandeling. Daarom is opposant van mening dat hij door de voorbereidingshandelingen niet langer in verzuim was en daarom ook geen dwangsom was verschuldigd. Opposant heeft dit onderbouwd met twee uitspraken van de rechtbank Limburg van 14 april 2020 en 11 mei 2020 en met een proces-verbaal uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2020.
4. De rechtbank is het eens met opposant. Zoals opposant terecht naar voren brengt, heeft hij direct na ontvangst van de ingebrekestelling drie verwijzingen naar artsen gestuurd en is hij vanaf dat moment geen dwangsom meer verschuldigd. Dat opposant deze voorbereidingshandelingen ook eerder had kunnen verrichten maakt, hierbij geen verschil. De rechtbank moet oordelen over de feitelijke gang van zaken in dit concrete geval. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 13 oktober 2020 vervalt (artikel 8:55, lid 9, van de Awb).
5. De rechtbank oordeelt dat er geen nader onderzoek nodig is, maar dat er ook direct uitspraak kan worden gedaan over het beroep (artikel 8:55, lid 10, Awb). Zoals duidelijk wordt uit de door opposant meegezonden uitspraken, en dan met name de proces-verbaal uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2020 en de daarin genoemde Nota van toelichting op het besluit van 14 oktober 2010 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen (gepubliceerd in het Staatsblad 2010,741), is opposant door de verwijzing naar verschillende artsen op 3 september 2019 geen dwangsom meer verschuldigd. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 7 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen de uitspraak over het verzet kunt u niet in hoger beroep. Tegen de uitspraak over het beroep kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U kunt daar ook om een voorlopige voorziening vragen. De datum van verzending ziet u op de stempel die hierboven staat.