ECLI:NL:RBMNE:2021:5153
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek rechter-commissaris in faillissementsprocedure afgewezen wegens ontbreken vooringenomenheid
Verzoekster, indirect bestuurder van een gefailleerde vennootschap, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die het faillissement behandelde. Zij stelde dat de rechter haar verzoeken niet in behandeling nam, suggestieve opmerkingen maakte tijdens een faillissementsverhoor en een nauwe professionele relatie met de curator en diens kantoorgenoot had, wat zou duiden op vooringenomenheid.
De rechter stelde zich op het standpunt dat verzoekster niet ontvankelijk was omdat het faillissementsverhoor niet plaatsvond in een geschil tussen partijen, maar dat verzoekster ontvankelijk was omdat zij verzoeken had gedaan op grond van artikel 69 Fw Pro. De wrakingskamer oordeelde dat het niet in behandeling nemen van verzoeken een procesbeslissing is die op zichzelf geen grond voor wraking vormt.
De wrakingskamer benadrukte dat het faillissementsverhoor niet gericht is op bewijsvergaring in een procedure en dat de professionele contacten tussen de rechter en curator geen vooringenomenheid rechtvaardigen. De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigd vermoeden van partijdigheid bestaat en wees het wrakingsverzoek af.
De procedure wordt voortgezet zoals deze was voor de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is ongegrond verklaard wegens ontbreken van vooringenomenheid.