ECLI:NL:RBMNE:2021:5182

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 oktober 2021
Publicatiedatum
26 oktober 2021
Zaaknummer
16/156764-21 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij mensenhandel door twee daders

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 12 oktober 2021 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor mensenhandel gepleegd samen met een mededader in januari 2021.

De officier van justitie stelde een vordering van €4.650,-, gebaseerd op bedragen die het slachtoffer aan veroordeelde en diens mededader had afgedragen, alsmede gemaakte kosten. De verdediging betwistte de hoogte van de vordering en stelde een maximale vordering van €990,- voor, rekening houdend met gemaakte kosten.

De rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk is aan het bedrag van €3.800,- dat het slachtoffer aan veroordeelde en mededader heeft afgedragen. Dit bedrag wordt hoofdelijk aan veroordeelde toegerekend, aangezien hij geen gegevens heeft verschaft die het vermoeden van gezamenlijke beschikking over de opbrengst ontzenuwen.

De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om €3.800,- aan de staat te betalen, met hoofdelijkheid ten opzichte van de mededader. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 152 dagen conform artikel 6:6:25 Sv Pro.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €3.800 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, hoofdelijk met mededader.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/156764-21 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde],
geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 oktober 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. D.M.A. van der Zwan en van hetgeen veroordeelde en mr. I.A. van Straalen, advocaat te Den Haag, naar voren hebben gebracht.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming € 4.650,- bedraagt.
De officier van justitie houdt rekening met het bedrag van € 3.800,- dat door [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is afgedragen aan veroordeelde. De officier van justitie gaat er verder van uit dat [slachtoffer] € 1.050,- per dag verdiende gedurende 4 dagen en dat van de totale opbrengst € 2.100, - is afgedragen aan veroordeelde. Ook houdt de officier van justitie rekening met € 250,- aan kosten voor benzine en overnachting.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
Subsidiair is aangevoerd dat de vordering dient te worden gematigd tot maximaal € 990,-. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de door veroordeelde gemaakte kosten.
De raadsman gaat ervan uit dat [slachtoffer] met haar werkzaamheden ongeveer € 2.200,- heeft verdiend waarvan de helft is afgedragen aan mededader, die recht had op
10 % daarvan.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van 26 oktober 2021 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit:
mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 6º omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
in de periode van 16 januari 2021 tot en met 19 januari 2021.
Grondslag en beoordeling van de vordering
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit.
Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
De rechtbank overweegt dat uit het veroordelend vonnis blijkt dat veroordeelde en zijn mededader het slachtoffer een bedrag van € 3.800,- hebben afgenomen.
Om die reden stelt de rechtbank het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 3.800,-. Gelet op de bewezenverklaring behoort het geld dat [slachtoffer] voor verdachte heeft verdiend niet tot het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Hoofdelijkheid
De veroordeelde heeft met zijn mededader van de mensenhandel geprofiteerd.
Het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bevatten zodanige duidelijke aanwijzingen dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat zij gezamenlijk de beschikking hebben of gedurende zekere tijd de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit. De veroordeelde heeft als een van die daders geen, dat vermoeden ontzenuwende, gegevens daaromtrent verschaft.
De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel - mede - aan de veroordeelde toerekenen.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 3.800,-;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 3.800,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- veroordeelde is voor dit bedrag hoofdelijk aansprakelijk met dien verstande dat indien en voor zover de mededader van veroordeelde betaalt, veroordeelde in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
152 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mrs. N.P.J. Janssens en A. Bouteibi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen-van der Hoek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 oktober 2021.
Mr. A. Bouteibi en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.