Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.VORDERING
3.BEOORDELING VAN DE VORDERING
4.TOEGEPAST WETSARTIKEL
5.BESLISSING
€ 3.800,-;
152 dagen.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 12 oktober 2021 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor mensenhandel gepleegd samen met een mededader in januari 2021.
De officier van justitie stelde een vordering van €4.650,-, gebaseerd op bedragen die het slachtoffer aan veroordeelde en diens mededader had afgedragen, alsmede gemaakte kosten. De verdediging betwistte de hoogte van de vordering en stelde een maximale vordering van €990,- voor, rekening houdend met gemaakte kosten.
De rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk is aan het bedrag van €3.800,- dat het slachtoffer aan veroordeelde en mededader heeft afgedragen. Dit bedrag wordt hoofdelijk aan veroordeelde toegerekend, aangezien hij geen gegevens heeft verschaft die het vermoeden van gezamenlijke beschikking over de opbrengst ontzenuwen.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om €3.800,- aan de staat te betalen, met hoofdelijkheid ten opzichte van de mededader. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 152 dagen conform artikel 6:6:25 Sv Pro.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €3.800 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, hoofdelijk met mededader.