In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Utrecht voor het belastingjaar 2019, vastgesteld op €279.000,-. Verweerder handhaafde deze waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix die vergelijkbare woningen in de buurt betrof.
De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld en concludeert dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De taxatiematrix toont aan dat de waardebepaling zorgvuldig is uitgevoerd, rekening houdend met verschillen tussen referentiewoningen en de woning van eiser.
Eiser voerde aan dat de oppervlakte ten onrechte op 126 m2 was gesteld in plaats van 113 m2. Verweerder erkende dit en paste de taxatiematrix aan. Zelfs met de kleinere oppervlakte blijft de WOZ-waarde volgens de rechtbank terecht vastgesteld.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenveroordeling af. Verweerder heeft toegezegd de kosten van een NEN 2580 meting en het griffierecht te vergoeden, maar deze toezeggingen worden niet in de uitspraak betrokken.
De uitspraak is gedaan door rechter K. de Meulder op 26 oktober 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.