ECLI:NL:RBMNE:2021:5218
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing VOG-aanvraag wegens strafrechtelijke antecedenten en belangenafweging samenleving
Eiser vroeg op 17 februari 2021 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan om als pedagogisch medewerker te kunnen werken. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser in de terugkijktermijn veroordeeld was voor medeplegen van poging tot zware mishandeling en nog een openstaande strafzaak had wegens verdenking van drugshandel.
Verweerder stelde dat deze feiten, indien herhaald, een belemmering vormen voor de functie en dat het maatschappelijke belang zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van de VOG. Eiser voerde aan dat hij een geslaagde re-integratie had doorgemaakt en dat zijn werk in de gehandicaptenzorg juist een verrijking voor de maatschappij zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder in redelijkheid het belang van de samenleving zwaarder mocht laten wegen dan het belang van eiser. De omstandigheden van de strafbare feiten behoefden niet te worden betrokken bij de beoordeling. De terugkijktermijn was verlengd vanwege de ernst van het geweldsdelict en de detentie. Ook het openstaande strafrechtelijke feit speelde een rol in de belangenafweging.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd mondeling gedaan op 11 oktober 2021 door rechter J.H. Lange.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege het zwaarder wegen van het maatschappelijk belang.