Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Inleiding
de uitbouwen hebben de helft van de breedte van de woningen. Door de aangevraagde uitbouw wordt dit onderscheid vervaagd: met het realiseren van een uitbouw op de verdieping wordt de achtergevel opgeschoven en daarmee het hoofdgebouw vergroot. Ook de herkenbare achtergevelrooilijn vervaagd. De aanbouw wordt [het] belangrijkste deel van de gevel van het gebouw, omdat deze 2 lagen de gevel beslaat. Stedenbouwkundig gezien is het van belang dat een uitbouw altijd ondergeschikt is aan het hoofdvolume/gebouw en dat de achtergevelrooilijn herkenbaar aanwezig blijft. Stedenbouwkundig gezien is het niet wenselijk om de achtergevel op de verdieping op te schuiven omdat de uitbreiding geen ondergeschikte toevoeging is, maar onderdeel gaat uitmaken van het hoofdgebouw.De rechtbank kan deze nadere motivering volgen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met deze motivering zich wel op het standpunt heeft mogen stellen dat de uitbouw stedenbouwkundig gezien niet wenselijk is. Eiser heeft er gelijk in dat het pand niet monumentaal is en dat de aanbouw aan de achterzijde zit, maar dat betekent nog niet dat verweerder daaraan mee moet werken. Uitgangspunt is immers de beheersverordening, die de aanbouw niet toestaat.