ECLI:NL:RBMNE:2021:5272
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde woning aan een adres te woonplaats verlaagd wegens onvoldoende onderbouwing ligging
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de WOZ-waarde van een vrijstaande woning uit 1905 centraal. Verweerder had de waarde vastgesteld op €1.025.000 voor belastingjaar 2020, welke eiser betwistte en een lagere waarde van €937.000 vorderde. Na een bezwaarprocedure handhaafde verweerder de waarde, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van verweerder, die een taxatiematrix met drie vergelijkbare woningen overlegd had. Hoewel de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen werd erkend, oordeelde de rechtbank dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de ligging van de woning beter dan gemiddeld was. Dit leidde tot een correctie van de grondwaarde met 20% naar een gemiddelde ligging.
Daarnaast werd het standpunt van eiser over gedateerde voorzieningen en enkel glas niet gevolgd, omdat deze aspecten verdisconteerd waren in de vergelijkingsobjecten. De rechtbank stelde de WOZ-waarde daarom vast op €989.000 en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig moet worden verminderd. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiser vergoed.
De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg en is openbaar gemaakt op 27 oktober 2021. De rechtbank benadrukte dat verdere verlagingen niet gerechtvaardigd waren vanwege onvoldoende onderbouwing door eiser.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning is vastgesteld op €989.000, lager dan de oorspronkelijke €1.025.000, vanwege onvoldoende onderbouwing van een betere ligging.