ECLI:NL:RBMNE:2021:5282
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: schijnzelfstandigheid en boete Wet arbeid vreemdelingen
Eiseres was eigenaresse van een bakkerij en haar neef, de heer A, zou de onderneming overnemen vanaf 1 januari 2018. De heer A had echter geen verblijfsvergunning om als zelfstandige te werken. Verweerder legde een boete op wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen, omdat de heer A in de onderzoeksperiode arbeid verrichtte zonder vergunning.
Eiseres stelde dat de heer A als zelfstandige vennoot werkte en dat er sprake was van een overgangsperiode waarin hij werd ingewerkt. De rechtbank beoordeelde of er sprake was van schijnzelfstandigheid, waarbij verweerder de bewijslast droeg. Uit verklaringen van de heer A en onderzoek bleek dat hij niet zelfstandig functioneerde, geen ondernemingsrisico liep en geen kapitaal had ingebracht.
De door eiseres overgelegde documenten, zoals een niet-ondertekende huurovereenkomst en arbeidsovereenkomsten na de onderzoeksperiode, boden onvoldoende bewijs voor zelfstandigheid. De stellingen over een winstverdeling werden niet onderbouwd met jaarrekeningen of andere stukken.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht kon uitgaan van schijnzelfstandigheid en dat de boete van €4.000 passend was gezien de ernst van de overtreding. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder hoefde geen proceskosten te betalen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de boete wegens schijnzelfstandigheid is ongegrond verklaard.