ECLI:NL:RBMNE:2021:5345
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van gehuurd appartement ongegrond verklaard
De heffingsambtenaar van de gemeente stelde de WOZ-waarde van een gehuurd appartement vast op €185.000 voor het belastingjaar 2020. De huurder betwistte deze waarde en stelde dat de vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar zijn en dat onvoldoende rekening is gehouden met verschillen zoals het ontbreken van een zelfstandige berging, het ontbreken van een balkon, en verschillen in energielabels en onderhoudsstaat.
De rechtbank onderzocht of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank concludeerde dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar adequaat rekening heeft gehouden met verschillen, waaronder het verwijderen van de berging uit de taxatiematrix en het waarderen van balkons en tuinen conform marktanalyse.
De huurder kon haar stellingen over een lagere waarde niet met bewijs onderbouwen, zoals foto’s van lekkages of gedateerde voorzieningen. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende bewijs had geleverd dat de woning en vergelijkingsobjecten qua kwaliteit en ligging vergelijkbaar zijn, en dat de waarde correct is vastgesteld.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend, ook niet vanwege een eerdere fout in de gebruiksoppervlakte die geen betrekking had op deze procedure.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van het appartement wordt ongegrond verklaard.