ECLI:NL:RBMNE:2021:5361
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid verlening omgevingsvergunning afwijking milieucategorie
Op 23 juli 2020 heeft een derde-partij een vergunning aangevraagd voor het afwijken van de milieucategorie van het bestemmingsplan op een perceel in Soest. Het betreft een eenmanszaak die zich bezighoudt met woningontruimingen en tijdelijke opslag van klein huisraad. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 14 september 2020 een omgevingsvergunning verleend, waarbij het advies van de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) is betrokken.
Eiser betwist de vergunningverlening en voert aan dat de activiteiten van de onderneming vallen onder een hogere milieucategorie dan toegestaan in het bestemmingsplan. Tevens stelt eiser dat de belangen niet zorgvuldig zijn afgewogen en dat het advies van de RUD onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan onherroepelijk is en dat de activiteiten niet binnen het bestemmingsplan passen.
De rechtbank toetst of het college bij de belangenafweging in redelijkheid de vergunning heeft kunnen verlenen. Het college heeft de activiteiten van de onderneming gelijkgesteld aan opslaggebouwen binnen milieucategorie 2, hetgeen past binnen de beleidsruimte en de kruimelgevallenregeling. De rechtbank volgt deze redenering en oordeelt dat de belangen zorgvuldig zijn afgewogen en dat de vergunningverlening niet leidt tot een onevenredige belasting van de omgeving.
De stelling van eiser dat de vergunning zijn doel mist en een ongewenst precedent schept, wordt verworpen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.