Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[ex-werkgever], te [vestigingsplaats] , de ex-werkgever, vertegenwoordigd door [A] .
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser, voormalig senior productmanager, was sinds februari 2016 arbeidsongeschikt en ontving vanaf februari 2018 een loongerelateerde WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 76,51%. Na meldingen van verslechtering in 2019 vond een herbeoordeling plaats, waarbij het percentage werd vastgesteld op 78,72%. Eiser betwistte deze vaststelling en stelde dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en aanspraak maakt op een IVA-uitkering.
De rechtbank beoordeelde de medische rapporten van verzekeringsartsen, die zorgvuldig en zonder tegenstrijdigheden waren opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat eiser niet volledig arbeidsongeschikt is, mede omdat geen nieuwe medische gegevens waren die een andere beoordeling rechtvaardigen. De klachten van eiser, met name vermoeidheid, zijn erkend maar onvoldoende onderbouwd voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
Ook de arbeidskundige beoordeling van passende functies binnen de beperkingen van eiser werd door de rechtbank gevolgd. De functies voldeden aan de eisen van voorspelbaarheid en routinematige werkzaamheden, zonder overschrijding van belastbaarheid. De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek van eiser af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage en de WIA-vervolguitkering wordt ongegrond verklaard.