ECLI:NL:RBMNE:2021:5597

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 juli 2021
Publicatiedatum
17 november 2021
Zaaknummer
UTR 21/1985
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1a AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeerde instemming bestuursorgaan met rechtstreeks beroep bestuursrechter

Eiseres diende een bezwaarschrift in tegen een besluit van verweerder en verzocht om instemming met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Verweerder stemde hiermee in en zond het beroepschrift door naar de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde dat verweerder ten onrechte instemde met het rechtstreeks beroep, omdat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarden. Er had geen zodanige uitputtende gedachtewisseling tussen partijen plaatsgevonden dat de bezwaarschriftprocedure geen toegevoegde waarde meer had.

De rechtbank benadrukte dat rechtstreeks beroep een uitzondering is en alleen in bijzondere gevallen kan worden toegestaan. Omdat eiseres haar verzoek baseerde op de veronderstelling dat verweerder niet bereid was een andere beslissing te nemen, was het verzoek onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank besloot daarom het beroepschrift als bezwaarschrift te behandelen en droeg verweerder op dit in behandeling te nemen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte instemde met rechtstreeks beroep en draagt op het beroepschrift als bezwaarschrift te behandelen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1985

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: L.B.J. Vrolijk),

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 13 april 2021 een bezwaarschrift ingediend tegen een besluit van
verweerder van 31 maart 2021. Eiseres heeft verweerder in het bezwaarschrift verzocht om
in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter.
Verweerder heeft het bezwaarschrift bij brief van 12 mei 2021 naar de rechtbank
doorgezonden en heeft de rechtbank verzocht om het te behandelen als rechtstreeks beroep.

Overwegingen

1. Artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de indiener in het bezwaarschrift het bestuursorgaan kan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1 van Pro de Awb.
Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan kan instemmen met het verzoek indien de zaak daarvoor geschikt is. Het vijfde lid bepaalt dat indien het bestuursorgaan instemt met het verzoek, het bestuursorgaan het bezwaarschrift, onder vermelding van de datum van ontvangst, onverwijld doorzendt aan de bevoegde rechter.
2. Artikel 8:54a, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, de bestuursrechter het onderzoek kan sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is omdat het bestuursorgaan ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. het tweede lid van dit artikel bepaalt dat in dat geval de uitspraak ertoe strekt dat het bestuursorgaan het beroepschrift als bezwaarschrift behandelt.
3. Bij brief van 12 mei 2021 heeft verweerder het verzoek van eiseres om in te stemmen met rechtstreeks beroep doorgezonden naar de rechtbank. Hierbij is aangegeven dat zij akkoord gaan met het verzoek om rechtstreeks beroep in te stellen op grond van artikel 7:1a van de Awb.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder kennelijk ten onrechte heeft ingestemd met rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5. Doel van artikel 7:1a van de Awb is om bestuursrechtelijke geschilbeslechting waar mogelijk te vereenvoudigen en te verkorten. Het bieden van de mogelijkheid van het overslaan van de bezwaarschriftprocedure is, zo blijkt uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel, bedoeld voor die gevallen waarin bij de totstandkoming van het primaire besluit van het bestuur al een zodanig uitputtende gedachtewisseling tussen bestuur en belanghebbende heeft plaatsgevonden, dat de bezwaarschriftprocedure daar weinig meer aan kan toevoegen, terwijl tevens vaststaat dat de belanghebbende het met het besluit niet eens is (Kamerstukken II, 2000/01, 27 563, nr. 3, p.3). Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer heeft de minister van Justitie benadrukt dat in de visie van de regering rechtstreeks beroep uitzondering moet blijven en dat de bezwaarschriftenprocedure slechts in bijzondere gevallen achterwege behoort te blijven. De minister voegde daar aan toe dat het voor de hand ligt dat de bezwaarmaker die het bestuur verzoekt de bezwaarschriftprocedure over te slaan, gemotiveerd aangeeft waarom zijn bezwaarschrift een bijzonder geval is. Als voorbeelden van uitzonderlijke situaties noemt de minister de in het rapport van de Commissie rechtsbescherming van de Vereniging voor bestuursrecht VAR genoemde situatie dat alle betrokkenen hun argumenten reeds bij de voorbereiding van het besluit zo uitputtend hebben gewisseld, dat bij voorbaat vaststaat dat een bezwaarschriftenprocedure geen toegevoegde waarde zal hebben, en gevallen waarin geen enkel verschil van mening over de feiten bestaat, maar waarin partijen een rechterlijke beslissing over een rechtsvraag nodig hebben om hun geschil te beëindigen (Kamerstukken I, 2004/4, 27 563, p. 1-2).
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar verzoek om met rechtstreeks beroep in te stemmen enkel rust op de veronderstelling dat verweerder niet bereid is om een andere beslissing te nemen. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de voorwaarde dat er een zodanig uitputtende gedachtewisseling heeft plaatsgevonden tussen partijen dat de bezwaarschriftprocedure bij voorbaat geen toegevoegde waarde meer heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet gebleken dat de standpunten van partijen in de voorbereiding van het primaire besluit over en weer al zozeer zijn uitgewisseld dat de bezwaarschriftenprocedure zou neerkomen op een herhaling van zetten.
7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift met toepassing van artikel 8:54a van de Awb als bezwaarschrift dient te worden behandeld. De rechtbank zal het beroepschrift derhalve naar verweerder doorzenden om het als bezwaarschrift in behandeling te nemen.

Beslissing

De rechtbank:
draagt verweerder op om het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 8 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.