Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 17 december 2020, met negen producties;
- de conclusie van antwoord, met acht producties;
- nadere producties 10 tot en met 13 van [eiseres] ;
- nadere productie 9 van [gedaagde] .
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil tussen twee besloten vennootschappen over de opheffing van een erfdienstbaarheid van weg die in 1991 is gevestigd. De eiseres is eigenaar van het dienende erf en vordert opheffing van de erfdienstbaarheid omdat de gedaagde, eigenaar van het heersende erf, deze sinds 2007 niet meer als uitweg gebruikt en geen redelijk belang meer heeft bij handhaving.
De gedaagde voert verweer en stelt dat door recente wijzigingen, waaronder de bouw van een nieuw bedrijfspand met laad- en losdocks, het gebruik van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is om gevaarlijke situaties te voorkomen en dat zij ook een toekomstig belang heeft bij handhaving vanwege plannen voor bebouwing.
De rechtbank oordeelt dat ondanks de gewijzigde situatie er voldoende redelijke en veilige alternatieven zijn voor het bereiken van de openbare weg zonder gebruik van de erfdienstbaarheid. Het feit dat de gedaagde perceel [nummeraanduiding 3] wil bebouwen en daardoor het alternatief wil beperken, doet hier niet aan af.
Daarom wordt de erfdienstbaarheid opgeheven en wordt de gedaagde veroordeeld om het perceel vrij te maken van hekwerken en andere obstructies. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De erfdienstbaarheid van weg wordt opgeheven wegens ontbreken van een redelijk belang en de gedaagde moet het perceel ontruimen.