Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2021 op het verzet van
[opposante] , te [vestigingsplaats] , opposante,
Procesverloop
Overwegingen
23 december 2019 door of namens de gemachtigde van opposante is afgehaald op
28 december 2019 bij een PostNL-locatie. Nu de gemachtigde van opposante de betalingsherinnering heeft ontvangen en daarna niet tot een betaling is overgegaan, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
1en in zijn latere uitspraken.
2. Uit dat arrest volgt dat er in beginsel geen uitspraak hoeft te worden gedaan over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht.
éénkeer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 500,-. De schadevergoeding komt geheel ten laste van de Staat, omdat de overschrijding van de redelijke termijn alleen in de beroepsfase is ontstaan. De rechtbank zal de Staat veroordelen om het bedrag van € 500,- aan opposante te betalen.