Deze uitspraak betreft het verzet van opposant(e) tegen de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep wegens het niet betalen van het griffierecht binnen de gestelde termijn. De rechtbank had het beroep op 14 januari 2021 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was voldaan en de identiteit van opposant(e) niet tijdig was bekendgemaakt.
In het verzet betoogt opposant(e) dat zij geen correcte griffierechtnota heeft ontvangen en dat er sprake is van betalingsonmacht. Tevens stelt zij dat de griffierechtnota onjuist was geadresseerd en dat uitstel van betaling had moeten worden verleend. De rechtbank stelt echter vast dat de betalingsherinnering aangetekend en tijdig aan de gemachtigde van opposant(e) is verzonden en ontvangen. De griffierechtnota was correct gericht aan de gemachtigde namens opposant(e).
De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat geen geldige redenen zijn aangevoerd die het niet betalen van het griffierecht rechtvaardigen. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat geen sprake is van overschrijding en de indiener onbekend is. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.