Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2021:569

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2021
Publicatiedatum
16 februari 2021
Zaaknummer
516525/HA RK 21-16
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 382 RvArt. 384 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens ontbreken belang bij wraking rechter in herroepingszaak

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. R.J. Praamstra in een herroepingszaak die zij had aangespannen wegens vermeend bedrog door haar wederpartij. Zij stelde dat mr. Praamstra partijdig was omdat hij ook de onderliggende hoofdzaak had behandeld en daarin fouten had gemaakt die in het voordeel van haar wederpartij uitvielen.

De wrakingskamer oordeelde echter dat verzoekster ten onrechte aannam dat de wet voorschrijft dat de herroepingszaak door dezelfde rechter moet worden behandeld. Artikel 384 Rv Pro verwijst naar dezelfde instantie, niet dezelfde persoon. Omdat mr. Praamstra niet is belast met de inhoudelijke behandeling van de herroepingszaak, ontbrak het verzoekster aan belang bij het wrakingsverzoek.

Daarom verklaarde de wrakingskamer het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk en besloot zij af te zien van een mondelinge behandeling. De procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Wrakingskamer verklaart verzoekster niet-ontvankelijk omdat de gewraakte rechter niet belast is met de inhoudelijke behandeling van de herroepingszaak.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 516525/HA RK 21-16
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
9 februari 2021
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoekster).

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 26 januari 2021 een verzoek ingediend tot wraking van
mr. R.J. Praamstra in de zaak met zaaknummer 8992856/MC EXPL 21-626.
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.

2.De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

2.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2.2.
Het middel van wraking is toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter, bij wie uit zijn gedrag of overtuiging vooringenomenheid blijkt tegenover een partij – althans aan een partij die daarover de objectief gerechtvaardigde vrees heeft – (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben.
2.3.
De onderliggende zaak betreft een herroepingsprocedure, die verzoekster op de voet van artikel 382 Rv Pro heeft aangespannen wegens (vermeend) bedrog door haar wederpartij in de zaak met zaaknummer 8268841/MC EXPL 20-278. In deze laatste zaak is op 23 september 2020 eindvonnis gewezen door mr. Praamstra.
2.4.
Volgens verzoekster staan in het eindvonnis diverse fouten, die (alle) in het voordeel van haar wederpartij uitvallen. Verzoekster is van mening dat daaruit de partijdigheid van mr. Praamstra blijkt. Volgens verzoekster volgt uit de wet dat de herroepingszaak wordt behandeld door dezelfde rechter, die ook de zaak, waarvan herroeping wordt verzocht, heeft behandeld. Vanwege het vermoeden van partijdigheid wil verzoekster echter dat de herroepingszaak door een andere rechter wordt behandeld.
2.5.
De wrakingskamer oordeelt als volgt. Verzoekster gaat er ten onrechte van uit dat de wet voorschrijft dat de herroepingszaak door mr. Praamstra moet worden behandeld. Daar waar in de wet, te weten artikel 384 Rv Pro, staat vermeld “de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld”, wordt bedoeld dezelfde instantie en niet dezelfde persoon. In de herroepingszaak is op dit moment nog geen rechter aangewezen voor de inhoudelijk behandeling van de zaak. Omdat mr. Praamstra niet belast is met de inhoudelijke behandeling van de zaak, heeft verzoekster geen belang bij haar verzoek tot wraking. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dit wrakingsverzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
2.6.
Op grond van paragraaf 9.1 a t/m i van het wrakingsprotocol van deze rechtbank [1] kan een mondelinge behandeling van het verzoek daarom achterwege blijven.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek;
3.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter tegen wie het verzoek tot wraking is gericht, andere betrokken partijen en de president van deze rechtbank;
3.3.
bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 8992856/MC EXPL 21-626 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, en mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. A. Crouwel als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2021.
de griffier is buiten staat deze beslissing te ondertekenen
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Te vinden op: