ECLI:NL:RBMNE:2021:5762

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
530794 / HA RK 21-300
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 40 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verschoningsverzoek rechter wegens belangenverstrengeling met advocaat van partij

In een handelszaak tussen twee bedrijven heeft een rechter een verzoek tot verschoning ingediend omdat zijn zoon advocaat is bij hetzelfde advocatenkantoor en zelfs sectiegenoot is van de advocaat die een van de partijen in de hoofdzaak bijstaat. De rechter acht zich hierdoor niet vrij om de zaak verder te behandelen vanwege de schijn van belangenverstrengeling.

De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 40 en Pro 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kamer benadrukt dat verschoning dient ter waarborging van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, waarbij ook de schijn van partijdigheid een belangrijke rol speelt om het vertrouwen in het rechterlijk apparaat te behouden.

Gezien de omstandigheden acht de verschoningskamer het verzoek gegrond. De rechter heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de schijn bestaat dat hij niet onpartijdig kan zijn. Daarom is besloten dat de rechter zich moet onthouden van verdere behandeling van de hoofdzaak. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoek tot verschoning van de rechter wegens schijn van belangenverstrengeling is gegrond verklaard.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
VERSCHONINGSKAMER
Zaaknummer/rekestnummer: 530794 / HA RK 21-300
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 23 november 2021
op het verzoek in de zin van artikel 40 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
Mr. D.J. van Maanen,
rechter,
verder te noemen: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
De verschoningskamer heeft op 19 november 2021 het verzoek tot verschoning van verzoeker ontvangen in de zaak met zaaknummer C/16/52147 HA/ZA 21-329. Deze zaak betreft een handelszaak met [bedrijf 1] B.V. als eisende partij en [bedrijf 2] B.V. als gedaagde partij (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek tot verschoning plaatsgevonden. De uitspraak is bepaald voor vandaag.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn verschoningsverzoek. Verzoeker acht zich niet vrij de hoofdzaak verder te behandelen. Eén van de partijen wordt bijgestaan door een advocaat die verbonden is aan het advocatenkantoor waaraan ook de zoon van verzoeker als advocaat verbonden is. De zoon en de advocaat in de hoofdzaak zijn sectiegenoten. Deze situatie is ter vermijding van elke schijn van belangenvermenging onwenselijk.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 40 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv Pro. Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. In dat geval dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten immers vertrouwen kunnen stellen in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
3.4.
Uit het verzoek van verzoeker blijkt dat er sprake is van zodanige omstandigheden dat hij zich niet meer voldoende vrij voelt om in de hoofdzaak op te treden dan wel te beslissen. De verschoningskamer ziet hierin, in aanmerking genomen de motivering van het verzoek, een genoegzame grond voor verschoning. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de schijn kan bestaan dat het hem aan onpartijdigheid zal ontbreken. Het verzoek zal daarom gegrond worden verklaard.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot verschoning gegrond;
4.2.
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, betrokken partijen in de hoofdprocedure, alsmede de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. A.M. Crouwel en mr. M.E. Heinemann, als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open