ECLI:NL:RBMNE:2021:5784

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2021
Publicatiedatum
26 november 2021
Zaaknummer
530934 / HA RK 21-302
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen rechtbank wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechtbank in een bestuursrechtelijke zaak vanwege vermeende vooringenomenheid, omdat de rechtbank meerdere malen had verzuimd te beslissen en vervolgens alsnog een besluit in behandeling nam.

De wrakingskamer oordeelde dat een wrakingsverzoek uitsluitend kan worden gericht tegen een individuele rechter die de zaak behandelt, en niet tegen het gehele rechtscollege. Aangezien de zaak nog niet aan een rechter was toegewezen, kon het verzoek niet ontvankelijk worden verklaard.

De griffiersbrief waarin om een reactie werd gevraagd op het bestuursorgaanbesluit werd als een gebruikelijke procedurele stap gezien en vormde geen grond voor wraking. De wrakingskamer verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat de procedure in de oorspronkelijke stand wordt voortgezet.

De beslissing werd genomen door een meervoudige wrakingskamer en is onherroepelijk.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van toegewezen rechter en onmogelijkheid tot wraking van gehele rechtbank.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Zaaknummer/rekestnummer: 530934 / HA RK 21-302
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 25 november 2021
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:
[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
verder te noemen: verzoeker,

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 8 november 2021 een verzoek ingediend tot wraking van de rechtbank in de zaak met zaaknummer UTR 21 /3463 PW.
1.2.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.

2.De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking gebaseerd op het volgende. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit door het Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom. Hij betoogt dat de rechtbank voor de derde keer heeft verzuimd om daarover een beslissing te nemen. Intussen heeft het bestuursorgaan alsnog een besluit genomen en nu vraagt de rechtbank een reactie van verzoeker op het ontijdige besluit. Na zelf drie maal te hebben verzuimd om te beslissen en vervolgens het besluit alsnog in behandeling te nemen, geeft de rechtbank blijk van vooringenomenheid.
2.2.
Op grond van artikel 8:15 Awb Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek slechts kan worden ingediend tegen een individuele rechter die de zaak behandelt. De wet biedt niet de mogelijkheid van wraking van een rechtscollege in zijn geheel, zoals door verzoeker verzocht. Als verzoeker al bedoelt om een individuele rechter te wraken dan is dat ook in dit geval niet mogelijk. Deze zaak is nog niet toebedeeld aan een rechter omdat de zaak zich nog in de administratieve voorfase bevindt. De griffiersbrief die aan verzoeker is gestuurd, betreft een gebruikelijke volgende stap in de procedure in het geval een bestuursorgaan alsnog een besluit neemt terwijl een beroep aanhangig is tegen het niet nemen van een besluit. In dit geval is er dus geen sprake van wraking van een rechter die de zaak behandelt, waardoor niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:15 Awb Pro.
2.3.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn wrakingsverzoek.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
3.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, andere betrokken partijen, alsmede aan de president van deze rechtbank;
3.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer UTR 21 /3463 PW dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, en mr. G.J.J.M. Essink en mr. R.C. Stijnen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.