In deze civiele zaak staat de ontbinding en vereffening van een vennootschap onder firma (vof) centraal. Eisers, bestaande uit een natuurlijk persoon en de vof zelf, vorderen onder meer een vergoeding voor de overname van de onderneming door gedaagde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vereffening van de vof per 31 december 2018 heeft plaatsgevonden op basis van de jaarrekening 2018, waarbij de onderneming op going concern basis is overgenomen met alle activa en passiva tegen gebruikelijke waardering.
Eisers stelden dat er onterechte afwaarderingen waren gedaan en dat er recht bestond op een vergoeding voor goodwill, omdat de onderneming winstgevend zou worden volgens een prognose uit 2016. De rechtbank oordeelde echter dat deze prognose niet meer relevant was gezien de verlieslatende jaren van de onderneming en het feit dat ook de eenmanszaak van gedaagde in 2019 werd beëindigd wegens gebrek aan succes. Er was onvoldoende onderbouwing dat de onderneming een positieve waarde vertegenwoordigde naast de materiële activa.
De rechtbank concludeerde dat gedaagde voldoende verantwoording heeft afgelegd over de vereffening en dat de vorderingen in conventie moeten worden afgewezen. De vennootschapsvermogen wordt verdeeld volgens de jaarrekening 2018, waarbij eiser sub 1 een bedrag van €4.394,00 aan gedaagde moet betalen. Tevens is de vof rechtsgeldig ontbonden per 31 december 2018. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente wordt toegewezen over het bedrag vanaf 4 maart 2020 tot volledige betaling.