De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 15 november 2021 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, veroordeeld voor oplichting in de periode van 1 februari 2016 tot en met 26 juni 2017.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk €47.000, maar wijzigde dit ter zitting naar €5.710, het bedrag dat veroordeelde contant van het slachtoffer had ontvangen. De verdediging betwistte dat veroordeelde daadwerkelijk voordeel had genoten, stellende dat gelden aan derden waren betaald.
De rechtbank oordeelde dat het bewezen is dat veroordeelde voordeel heeft genoten van €5.710, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat zij dit bedrag aan derden heeft moeten afstaan. Andere bedragen die aan derden zijn betaald, zijn buiten beschouwing gelaten. De rechtbank legde veroordeelde daarom de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen.
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht. Tevens is de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 114 dagen. Het vonnis is uitgesproken op 29 november 2021 door de meervoudige kamer.