ECLI:NL:RBMNE:2021:5877

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
2 december 2021
Zaaknummer
528676 / HA RK 21-255
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens niet-tijdige indiening

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. A.S. Penders, rechter in de hoofdzaak, stellende dat deze partijdig en warrig zou zijn opgetreden. Het verzoek betrof onder meer het niet stopzetten van de procedure na een akte waarin werd gesteld dat [bedrijf] BV was opgeheven en ontbonden.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend. De feiten waarop het verzoek was gebaseerd waren al op 1 september 2021 duidelijk, terwijl het verzoek pas op 8 oktober 2021 werd ingediend. De wrakingskamer benadrukte dat verzoekster had kunnen en moeten reageren zodra de feiten bekend waren.

De rechter had de procedure niet stopgezet omdat hij in het kader van hoor en wederhoor wilde dat [bedrijf] BV zich kon uitlaten over de opheffing. De wrakingskamer vond geen aanwijzingen voor partijdigheid of vooringenomenheid.

De wrakingskamer verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 528676 / HA RK 21-255
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 23 november 2021
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoekster] , h.o.d.n. [naam] ,
wonende in [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoekster),
gemachtigde: mr. W.J.A. Dales.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 16 juni 2021 van de rechtbank Midden-Nederland,
zittingsplaats Utrecht;
- het vonnis van 1 september 2021 van de rechtbank Midden-Nederland,
zittingsplaats Utrecht;
- het wrakingsverzoek van mr. Dales namens verzoekster van 8 oktober 2021 gericht tegen mr. A.S. Penders, rechter in deze rechtbank;
- de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van mr. Penders van
19 oktober 2021;
- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek van mr. Dales namens verzoekster.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 9 november 2021 ter zitting in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • verzoekster, bijgestaan door mr. Dales;
  • mr. A.S. Penders.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. Penders als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer 8898259 UC EXPL 20-9907 SV/40 160 (hierna: de hoofdzaak). In de hoofdzaak is verzoekster de eisende partij in conventie en de gedaagde partij in reconventie. [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] BV) is in de hoofdzaak de gedaagde in conventie en de eisende partij in reconventie.
2.2.
Verzoekster heeft – kort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd aan haar wrakingsverzoek. De rechter heeft in het tussenvonnis van 1 september 2021 belanghebbende de gelegenheid gegeven om een akte te nemen over de door verzoekster in de akte van 14 juli 2021 ingenomen stelling dat belanghebbende inmiddels was opgeheven en ontbonden. Deze beslissing is volgens verzoekster in strijd met een eerder verstuurde brief van de griffie van de rechtbank. Deze brief valt onder de verantwoordelijkheid van de rechter en daarin stond nadrukkelijk vermeld dat nadere stukken niet meer in ontvangst zouden worden genomen. In de toelichting op het wrakingsverzoek heeft verzoekster verder meerdere voorbeelden genoemd waaruit volgens haar blijkt dat de rechter warrig en partijdig heeft opgetreden.
Namens verzoekster is tijdens de zitting van 9 november 2021 aangegeven dat de rechter, na kennisneming van de akte van 14 juli 2021 van verzoekster, de procedure stil had moeten leggen en eventueel onderzoek had moeten laten doen.
2.3.
Mr. Penders heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij zich op het standpunt dat het wrakingsverzoek van 8 oktober 2021 pas vijf weken na het vonnis van 1 september 2021 is ingediend en daarom niet tijdig is gedaan. De rechter heeft daarnaast aangegeven dat hij in het vonnis van 1 september 2021 heeft geprobeerd uit te leggen waarom [bedrijf] BV na de brief van de griffie toch de gelegenheid heeft gekregen een akte te nemen. De rechter heeft ter zitting van 9 november 2021 gesteld dat, gelet op de verstrekkende gevolgen van de inhoud van de akte van verzoekster voor [bedrijf] BV, het in het kader van hoor en wederhoor noodzakelijk was dat [bedrijf] BV zich over het punt van de opheffing van de BV zou mogen uitlaten. De rechter wilde goed en volledig geïnformeerd zijn voordat hij een inhoudelijke beslissing zou nemen. Van enige vooringenomenheid of onpartijdigheid is dus geen sprake.

3.De beoordeling

3.1
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2
Op grond van artikel 37 Rv Pro moet een wrakingsverzoek gedaan worden zodra de
feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Als een wrakingsverzoek te
laat wordt ingediend, wordt de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
De wrakingskamer beoordeelt het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor
genoemde maatstaven.
3.3.
Op 14 juli 2021 is door verzoekster een akte genomen, waarin zij stelt dat uit een uittreksel van het handelsregister blijkt dat [bedrijf] BV is opgeheven en ontbonden. Verzoekster is van mening dat de rechter de procedure tussen [bedrijf] BV na kennisneming van deze akte op dat moment had moeten stopzetten. De wrakingskamer concludeert dat het verzoekster niet lang na 14 juli duidelijk had kunnen worden dat de rechter de procedure niet zou stopzetten. [bedrijf] BV kreeg namelijk nog gelegenheid om een akte te nemen op de rol van 21 juli 2021 en verzoekster heeft naar aanleiding van deze akte nog de gelegenheid gekregen voor een antwoordakte op de rol van 4 augustus. In ieder geval moet het verzoekster uit het tussenvonnis van 1 september 2021 duidelijk zijn geworden, dat de zaak niet werd stopgezet, omdat de rechter de zaak toen heeft verwezen naar de rol van 15 september 2021 en 29 september 2021 om respectievelijk [bedrijf] BV en verzoekster de gelegenheid te geven een akte te nemen. Dat betekent dat de gestelde grond voor de wraking in ieder geval op 1 september 2021 duidelijk moet zijn geweest voor verzoekster.
Omdat het wrakingsverzoek pas op 8 oktober 2021 is ingediend, is van het onverwijld doen van het wrakingsverzoek in de zin van artikel 37 Rv Pro geen sprake. Dat verzoekster wilde wachten met het wrakingsverzoek totdat zij op 29 september 2021 een antwoordakte had genomen, is een omstandigheid die voor rekening van verzoekster komt.
3.5
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk verklaren.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel, sector Kanton en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 8898259 UC EXPL 20-9907 SV/40 160 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. M.E. Heinemann en mr. A.M. Crouwel als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L.M.M. Weyers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2021.
wegens afwezigheid van de
voorzitter wordt deze
beslissing getekend door
de griffier de oudste rechter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.