Uitspraak
[V.O.F.], te [woonplaats], verzoekster
Inleiding
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 15 januari 2021 tot zes weken na bekendmaking van de
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster exploiteert een pluimveehouderij waar in november 2020 vogelgriep werd vastgesteld, waarna alle dieren werden geruimd. Verweerder legde op 15 januari 2021 een preventieve last onder dwangsom op, die het houden van kippen op bepaalde verdiepingen van stallen verbood zolang de omgevingsvergunning niet was verleend. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van concreet zicht op legalisatie omdat een ontvankelijke vergunningaanvraag lag en verweerder geen beletselen zag voor vergunningverlening, ondanks dat aanvullend geluidsonderzoek nodig was. De motivering van de preventieve last werd onvoldoende geacht, mede omdat verweerder eerder had besloten niet handhavend op te treden vanwege dat zicht op legalisatie.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van verzoekster om haar bedrijfsvoering te hervatten zwaarder woog dan het handhavingsbelang van verweerder. Daarom werd het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Verzoekster kreeg ook vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het besluit van 15 januari 2021 wordt geschorst en het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen.