ECLI:NL:RBMNE:2021:6015
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing loonvordering uitzendkracht op grond van afwijkende cao-bepaling
De voormalige uitzendkracht was van juni 2016 tot februari 2018 in dienst bij Randstad en werkte via dit uitzendbureau bij een opdrachtgever. Zij vordert een verklaring voor recht dat zij recht heeft op hetzelfde loon als werknemers in gelijke functies bij de opdrachtgever waar zij feitelijk werkte, en betaling van het verschil.
De kantonrechter overweegt dat op haar arbeidsrelatie de ABU-cao van toepassing is, die afwijkt van artikel 8 van Pro de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Volgens de ABU-cao moet het uitzendbureau het loon betalen van de functiegroep bij de opdrachtgever die het uitzendbureau als inlener heeft, niet het loon van de onderneming waar de uitzendkracht feitelijk werkzaamheden verricht.
De uitzendkracht baseert haar vordering op het loon van werknemers van een andere onderneming dan de inlener, maar zij heeft niet gesteld dat zij tot een specifieke groep behoort die een uitzondering op de ABU-cao-regeling vormt. De rechtbank wijst haar vordering af en veroordeelt haar in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de uitzendkracht op loon gelijk aan werknemers van de opdrachtgever wordt afgewezen wegens toepassing van de afwijkende ABU-cao-regeling.