ECLI:NL:RBMNE:2021:6034
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning afgewezen wegens voldoende onderbouwing waardebepaling
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres in een Nederlandse gemeente, vastgesteld op €627.000 per 1 januari 2019. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €520.000 voor. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde en heeft een taxatiematrix en toelichting overgelegd.
De rechtbank beoordeelt dat de vergelijkingsobjecten in de taxatiematrix voldoende vergelijkbaar zijn en recent verkocht zijn nabij de waardepeildatum. De rechtbank wijst het standpunt van eiser af dat slechts één referentiewoning als vergelijkingsobject mag dienen, omdat deze woning verder van de waardepeildatum ligt en objectkenmerken verschillen. Ook het bezwaar tegen een referentiewoning die niet op de openbare markt zou zijn verkocht, wordt verworpen.
Verder oordeelt de rechtbank dat de ligging aan een T-splitsing en de ervaren overlast geen waardedrukkend effect hebben, mede omdat vergelijkbare woningen in dezelfde straat liggen en de woning tegenover een groenstrook is gesitueerd. De rechtbank stelt dat verweerder niet verplicht is om in de bezwaarfase een taxatiematrix te overleggen of een getalsmatige uitwerking van KOUDV-factoren te verstrekken, zolang het taxatieverslag inzicht geeft in de waardebepaling.
De rechtbank concludeert dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €627.000 wordt ongegrond verklaard.