De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 16 december 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen met een minderjarig kind onder zijn zorg. De tenlastelegging betrof handelingen gepleegd tussen 1 januari 2016 en 31 augustus 2018.
De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het primair ten laste gelegde seksueel binnendringen wegens gebrek aan bewijs, maar achtte de subsidiaire ontucht wel bewezen en eiste een gevangenisstraf. De verdediging pleitte integrale vrijspraak, stellende dat de verklaringen van het toen 3 jaar en 8 maanden oude kind niet betrouwbaar waren, mede door de tijdsafstand en een familieruzie die mogelijk beïnvloeding veroorzaakte.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het jonge kind niet met voldoende zekerheid betrouwbaar konden worden geacht. De verklaring was niet gedetailleerd, inconsistent en deels tegenstrijdig. De context van een slepende familieruzie en het jonge leeftijdsgeheugen van het kind maakten het bewijs onvoldoende. Omdat deze verklaringen de enige basis voor de verdenking vormden en verder geen concreet bewijs aanwezig was, sprak de rechtbank verdachte vrij.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.