ECLI:NL:RBMNE:2021:612

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 februari 2021
Publicatiedatum
17 februari 2021
Zaaknummer
UTR 20/1892
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 32.5 bestemmingsplan Bosdrift 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor verbouwing bijgebouwen naar appartementen wegens strijd bestemmingsplan

Eiser, eigenaar van twee bijgebouwen, vroeg vergunning voor verbouwing naar appartementen. Verweerder weigerde de vergunning omdat het bouwplan niet voldeed aan het bestemmingsplan, specifiek artikel 32.5 dat verbouwing voor meervoudige bewoning reguleert. Eiser voerde aan dat versoepelde beleidsregels van toepassing waren en dat er voldoende parkeergelegenheid was, maar kon niet aannemelijk maken dat de woningen vóór 1 januari 2003 als zelfstandige woningen in gebruik waren.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht aan het bestemmingsplan heeft getoetst en dat de aanvraag onvoldoende aantoonde dat voldaan werd aan de eisen voor parkeerplaatsen, buitenruimte en bergingscapaciteit. Eiser kon niet aantonen dat deze voorzieningen in het bouwplan waren ingetekend, en verweerder hoefde niet te toetsen op basis van andere informatie dan de aanvraag zelf.

Eiser stelde dat voor een nabijgelegen perceel wel vergunning was verleend zonder aan deze eisen te voldoen, maar de rechtbank volgde verweerder in de uitleg dat die situatie niet vergelijkbaar was vanwege andere bestemmingen en eerdere meervoudige bewoning. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1892

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.A.J. Sturhoofd),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigde: mr. O. Claasen).

Inleiding

1. Eiser is eigenaar van de twee bijgebouwen op percelen [perceel 1] en [perceel 2] in [plaats] (hierna: de percelen). Hij heeft een vergunningaanvraag ter legalisatie gedaan voor het verbouwen van de twee bijgebouwen naar twee appartementen (hierna: de vergunningaanvraag). Verweerder heeft deze vergunning op 2 december 2019 geweigerd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, dat door verweerder op 22 april 2020 ongegrond is verklaard. Eiser heeft vervolgens op 14 mei 2020 een beroepschrift ingediend, verweerder heeft op 21 januari 2021 een verweerschrift ingediend.
2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] .

Procesbelang

3. Op 14 mei 2020 heeft eiser een nieuwe vergunningaanvraag vergezeld van een herzien bouwplan ingediend, waarna verweerder alsnog op 19 augustus 2020 een vergunning heeft verleend voor het verbouwen van de twee bijgebouwen naar twee appartementen. Verweerder heeft daarom de vraag opgeworpen of eiser nog procesbelang heeft in deze zaak. Eiser heeft daarop aangegeven dat hij alsnog een beoordeling van onze rechtbank wil over de weigering van de eerste aanvraag. Naar eigen zeggen heeft hij schade geleden als gevolg van deze weigering, onder meer door het mislopen van huurpenningen. Via een oordeel van de rechtbank wil hij deze schade verhalen op verweerder. De rechtbank kan eiser hierin volgen en is daarom van oordeel dat hij nog steeds een procesbelang heeft in deze zaak.

Overwegingen

Wat is het toetsingskader?
4. Verweerder heeft de vergunningaanvraag geweigerd op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten eerste, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Volgens verweerder is de verbouwing waarop deze aanvraag ziet in strijd met het bestemmingsplan ‘Bosdrift 2013’ (hierna: het bestemmingsplan). Specifiek gaat het om strijd met artikel 32.5, dat middels de ‘Regeling meervoudige bewoning’ aan het bestemmingsplan is toegevoegd. Volgens het eerste lid van dit artikel is het verboden om gebouwen te verbouwen voor meervoudige bewoning, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid. Daar staat dat het verbod niet geldt als is voorzien in (onder andere) voldoende parkeergelegenheid en het woongenot op en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig wordt aangetast. Volgens verweerder voldoet het bouwplan van eiser niet aan deze voorwaarden en is zijn aanvraag daarom afgewezen.
5. Volgens eiser is echter het versoepelde toetsingskader van de Beleidsnotitie Legalisatie en Handhaving illegale appartementen op zijn situatie van toepassing. Het van toepassing zijnde onderdeel van deze beleidsnotitie is opgenomen in artikel 32.5, vijfde lid, van de planregels van het bestemmingsplan. Daarin staat dat het verbod om gebouwen te verbouwen voor meervoudige bewoning niet geldt voor gebouwen die vóór 1 januari 2003 (hierna: de peildatum) verbouwd zijn tot zelfstandige woningen en vanaf die tijd als zodanig in gebruik zijn.
6. Omdat eiser een beroep doet op deze uitzondering, is het aan hem om aannemelijk te maken dat de betreffende percelen vóór de peildatum verbouwd zijn tot zelfstandige woningen en vanaf die tijd als zodanig in gebruik zijn. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat niet uit de stukken en tijdens de zitting heeft eisers toelichting op dit punt dat oordeel niet anders kunnen maken. Weliswaar blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat de woning met nummer [perceel 1] enige tijd bewoond is geweest, maar niet dat dat vóór de peildatum al het geval was en dat dat sindsdien onafgebroken is voortgezet. Wat betreft de woning met nummer [perceel 2] blijkt ook niet dat er sprake is van onafgebroken bewoning vanaf een datum vóór de peildatum. Dat deze woningen in een notitie uit 2016 door de heer [B] als zelfstandige woningen zijn aangemerkt, maakt dit niet anders, alleen al omdat deze kwalificatie niets zegt over wanneer de bewoning is aangevangen en of dat sindsdien onafgebroken is voortgezet.
7. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen aan het Veegbestemmingsplan 2016, omdat dit aan de percelen een andere bestemming zou hebben gegeven. Daardoor zou artikel 32.5 niet van toepassing zijn op de percelen van eiser. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Zoals verweerder terecht stelt, zijn via het Veegbestemmingsplan 2016 weliswaar enkele bepalingen van het bestemmingsplan aangepast, maar ziet dit niet op de wijziging van bestemmingen in het plangebied.
8. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor de beoordeling van de aanvraag van eiser heeft mogen toetsen aan artikel 32.5, eerste en tweede lid, van de planregels van het bestemmingsplan.
Is voorzien in voldoende parkeergelegenheid, bergingsruimte en buitenruimte?
9. Tussen partijen is niet in geschil dat, om te kunnen voldoen aan de vereisten van artikel 32.5, tweede lid, voor de woningen in de bijgebouwen twee parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden op eigen terrein. Daarnaast is ook niet in geschil dat de woningen elk moeten beschikken over 15 vierkante meter buitenruimte en 1,5 vierkante meter bergingscapaciteit.
10. Volgens verweerder blijkt uit de vergunningaanvraag niet dat voorzien wordt in twee parkeerplaatsen op eigen terrein, en ook niet dat de woningen elk beschikken over 15 vierkante meter buitenruimte en 1,5 vierkante meter bergingscapaciteit. Uit de nieuwe vergunningaanvraag, met name de bouwtekeningen waarop nu parkeerplaatsen en bergingen zijn ingetekend, blijkt dat volgens verweerder wel en daarom heeft hij op basis daarvan alsnog de vergunning verleend.
11. Eiser erkent dat op de bouwtekeningen bij de eerste aanvraag geen parkeerplaatsen waren ingetekend. Volgens eiser was verweerder echter al via een andere weg op de hoogte van het bestaan van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Eiser had voor het naastgelegen hoofdgebouw al een bouwplan ingediend waaruit zou blijken dat er ook voor de verbouwing van de twee bijgebouwen voorzien was in voldoende parkeergelegenheid. Het betrof hier namelijk de al aanwezige vier parkeerplaatsen.
12. De rechtbank stelt vast dat uit de vergunningaanvraag niet blijkt dat voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Deze staan nergens vermeld en zijn ook niet ingetekend op de bouwtekeningen. Datzelfde geldt voor de 15 vierkante meter buitenruimte en de 1,5 vierkante meter bergingscapaciteit per woning. Dat verweerder op een andere manier op de hoogte had kunnen zijn van het bestaan hiervan, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Verweerder moet immers beslissen op de aanvraag zoals deze voorligt. Tijdens de zitting heeft verweerder bovendien aangegeven dat meerdere malen gevraagd is naar tekeningen waaruit wel zou blijken dat voorzien werd in voldoende parkeerplaatsen, buitenruimte en bergingscapaciteit, maar dat eiser deze niet heeft aangeleverd. Dit is door eiser niet bestreden. Verweerder heeft daarom de vergunning mogen weigeren wegens het niet voldoen aan de eisen van artikel 32.5, tweede lid, van de planregels.
Is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
13. Eiser voert verder aan dat voor het naastgelegen perceel [perceel 3] wel een vergunning verleend is om te verbouwen voor meervoudige bewoning, terwijl bij dat bouwplan niet wordt voldaan de eisen van artikel 32.5, tweede lid, van de planregels. Het is daarom onterecht dat eiser daar wel aan moet voldoen.
14. Verweerder geeft aan dat het bouwplan voor de [perceel 3] niet te vergelijken is met de bouwplannen van eiser. Op het perceel was al sinds de jaren ’80 sprake van meervoudige bewoning en bovendien is het grootste gedeelte van het bouwproject gelegen binnen de bestemming ‘Wonen-2’, waar artikel 32.5 niet op van toepassing is. De rechtbank kan deze uitleg van verweerder volgen en is daarom van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.
14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Sloots, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.