ECLI:NL:RBMNE:2021:6122
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring woningaanvraag wegens niet voldoen aan dakloosheidscriterium
Eiser vroeg urgentie aan voor woningtoewijzing na beëindiging van zijn relatie en het ontbreken van een eigen woning, waarbij hij op dit moment bij zijn ouders verblijft. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan het criterium van dreigende dakloosheid met minderjarige kinderen zoals gesteld in de Huisvestingsverordening Almere 2019.
Eiser voerde aan dat de verordening strijdig is met hogere wetgeving en dat het recht op vrije huisvesting onterecht beperkt wordt. De rechtbank toetste de verordening indirect en oordeelde dat deze voor maximaal vier jaar is vastgesteld en voldoende is onderbouwd met gegevens over woningvoorraad en schaarste, en dat het algemeen belang bij rechtvaardige woonruimteverdeling een beperking rechtvaardigt.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet dakloos is met minderjarige kinderen, omdat de kinderen hoofdverblijf bij de moeder hebben en ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen. Ook de toepassing van de hardheidsclausule werd door verweerder terecht achterwege gelaten, omdat eiser onvoldoende onderscheidend leed aantoonde.
Verder faalden de beroepen op internationale verdragen en grondwettelijke bepalingen, omdat de belangen van de kinderen wel waren meegewogen en geen positieve verplichting tot urgentieverklaring bestond. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet voldoet aan het dakloosheidscriterium en de hardheidsclausule terecht niet is toegepast.