Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
hierna: feit 2)
3.VOORVRAGEN
gramwoog. Dit betreft een zeer geringe hoeveelheid – minder dan 0,5 gram – en moet aldus worden gezien als gebruikershoeveelheid. Voor het bezit van die hoeveelheid cocaïne dient verdachte, gelet op de Aanwijzing Opiumwet, niet te worden vervolgd. In vergelijkbare gevallen seponeert het Openbaar Ministerie de zaak en dat had het in deze zaak ook moeten doen.
kilogramhebben opgeschreven dat het zakje met wit poeder 0,0060
gramwoog. Een hoeveelheid van 0,0060 gram is immers zo gering dat dat door de politie niet kan worden gewogen. Bovendien blijkt uit bovengenoemd proces-verbaal op pagina 1 dat dit boterhamzakje SIN-nummer AANR4859NL heeft gekregen. Uit het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen op pagina 4 en 5 van het procesdossier blijkt dat het goed met dit SIN-nummer een bolletje met 4,88 gram wit poeder is, dat uiteindelijk positief wordt getest op cocaïne.
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
de rechtbank begrijpt: 4,88 gram, zie de overweging daartoe in rubriek 3.3) [2]
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 23, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en
- 2 en 10 van de Opiumwet;