Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2021 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
[derde partij] B.V., te [woonplaats]
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser, voormalig monteur buitendienst, is sinds 22 mei 2017 ziekgemeld en ontvangt sinds 20 mei 2019 een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling per 15 juli 2020 stelde de verzekeringsarts beperkingen vast en werd het arbeidsongeschiktheidspercentage op 43,65% vastgesteld. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en bracht aanvullende informatie van een psychologenpraktijk in.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat deze nieuwe informatie geen aanleiding gaf tot een andere beoordeling en bevestigde de beperkingen. De rechtbank overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat geen sprake was van een psychische aandoening die tot verdere beperkingen zou leiden, en dat de fysieke beperkingen voldoende waren vastgesteld.
De rechtbank achtte de medische rapportages begrijpelijk en consistent en vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de beoordeling onjuist was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard.