Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.Het verzoek en de beoordeling
498,00
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker trad in april 2011 in dienst bij verweerster als asbestsaneerder met een bruto loon van €3.816,63 per vier weken. In juli 2021 beschuldigde de directeur verzoeker van diefstal en gaf aan het dienstverband te willen beëindigen. Verzoeker werkte daarna niet meer en ontving vanaf augustus 2021 geen loon meer.
Verzoeker stelde dat er geen ontslag op staande voet was gegeven en dat het dienstverband derhalve voortduurde, waardoor hij recht had op loonbetaling vanaf 14 augustus 2021. Verweerster erkende niet te kunnen aantonen dat een ontslag op staande voet was gegeven en erkende daarmee het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter oordeelde dat verweerster gehouden is het loon vanaf 14 augustus 2021 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid. De wettelijke verhoging van 50% op het achterstallige loon wordt toegekend omdat verweerster zich onterecht op een niet gegeven ontslag baseerde. Tevens worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan verzoeker toegewezen.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging van 50%, incassokosten en rente.