ECLI:NL:RBMNE:2021:6163

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2021
Publicatiedatum
21 december 2021
Zaaknummer
9490099 UE VERZ 21-282
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering erkend, wettelijke verhoging niet gematigd in arbeidsgeschil

Verzoeker trad in april 2011 in dienst bij verweerster als asbestsaneerder met een bruto loon van €3.816,63 per vier weken. In juli 2021 beschuldigde de directeur verzoeker van diefstal en gaf aan het dienstverband te willen beëindigen. Verzoeker werkte daarna niet meer en ontving vanaf augustus 2021 geen loon meer.

Verzoeker stelde dat er geen ontslag op staande voet was gegeven en dat het dienstverband derhalve voortduurde, waardoor hij recht had op loonbetaling vanaf 14 augustus 2021. Verweerster erkende niet te kunnen aantonen dat een ontslag op staande voet was gegeven en erkende daarmee het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter oordeelde dat verweerster gehouden is het loon vanaf 14 augustus 2021 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid. De wettelijke verhoging van 50% op het achterstallige loon wordt toegekend omdat verweerster zich onterecht op een niet gegeven ontslag baseerde. Tevens worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan verzoeker toegewezen.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging van 50%, incassokosten en rente.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 9490099 UE VERZ 21-282 CMR/51145
Beschikking van 22 december 2021
inzake
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [verzoeker] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. J. Soet,
tegen:
de besloten vennootschap
[verweerster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: [verweerster] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. M.L.A. Verleun.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoeker] van 12 oktober 2021;
- het verweerschrift van [verweerster] ;
- de e-mailcorrespondentie tussen [verzoeker] en [verweerster] , overgelegd door [verzoeker] ;
- de aanvulling op het verweerschrift van [verweerster] ;
- de mondelinge behandeling op 10 december 2021 via Skype for Business, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Hierna is uitspraak bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is op 14 april 2011 in dienst getreden bij [verweerster] in de functie van asbestsaneerder (DAV-er) / sloper voor 38 uur per week. Het loon bedraagt € 3.816,63 bruto per vier weken. Op de arbeidsovereenkomst zijn de bepalingen uit de cao Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing.
2.2.
Op 14 juli 2021 heeft de heer [A] , de directeur van [verweerster] , [verzoeker] beschuldigd van diefstal en heeft [A] aangegeven het dienstverband te willen beëindigen. [verzoeker] heeft daarna niet meer gewerkt.
2.3.
[verzoeker] heeft sinds 13 augustus 2021 geen loon ontvangen.

3.Het verzoek en de beoordeling

3.1.
[verzoeker] verzoekt veroordeling van [verweerster] tot het betalen van het loon van [verzoeker] van € 3.816,63 bruto per maand vanaf 14 augustus 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% op grond van art. 7:625 BW Pro en de wettelijke rente. Ook verzoekt [verzoeker] een veroordeling van [verweerster] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 462,50 en de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] voert aan dat het dienstverband niet is beëindigd, omdat er geen ontslag op staande voet is gegeven. Hij heeft daarom recht heeft op loon vanaf 14 augustus 2021.
3.3.
[verweerster] geeft aan dat zij niet kan aantonen dat er een ontslag op staande voet is gegeven en erkent daarmee dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat. Omdat de arbeidsovereenkomst nog bestaat en [verweerster] geen loon meer heeft betaald zal het verzoek van [verzoeker] om [verweerster] te veroordelen tot betaling van loon worden toegewezen. Omdat in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het loon per vier werken zal worden uitbetaald is het loon van € 3.816,63 bruto per vier weken toewijsbaar, vanaf 14 augustus 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt.
3.4.
[verzoeker] heeft sinds 13 augustus 2021 geen loon meer ontvangen omdat [verweerster] zich op het standpunt stelde dat zij [verzoeker] had ontslagen. [verweerster] heeft inmiddels erkend dat niet van een ontslag op staande voet kan worden uitgegaan en dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat. Dat [verzoeker] geen loon heeft ontvangen is dus aan [verweerster] te wijten, omdat zij zich op een niet gegeven ontslag op staande voet baseerde. Er is dan ook geen reden om de wettelijke verhoging te matigen tot 10% zoals [verweerster] verzoekt. De wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW Pro zal worden toegewezen tot het maximum van 50% over het loon dat tot nu is vervallen.
3.5.
De door [verzoeker] verzochte wettelijke rente over het loon zal worden toegewezen vanaf de dag van opeisbaarheid van het loon. Het loon is opeisbaar na afloop van het tijdvak van vier weken waarover het loon moet worden berekend. Op dat moment is [verweerster] in verzuim met het betalen van het loon.
3.6.
[verzoeker] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [verzoeker] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 462,50 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
3.7.
[verweerster] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht € 240,00
- salaris gemachtigde €
498,00
Totaal € 738,00

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het loon van € 3.816,63 bruto per vier weken vanaf 14 augustus 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke verhoging over het reeds vervallen loon tot en met 5 december 2021 (met een maximum van 50%);
4.3.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van € 462,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.4.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] , tot deze beschikking begroot op € 738,00;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.H. Bokx-Boom, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2021.