Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats 1] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Inleiding
Overwegingen
Eiseres heeft in haar beroepsschrift aangevoerd dat het voor haar onduidelijk is welke procedure verweerder heeft gevolgd bij de vergunningverlening. Eiseres vraagt zich ook af of de gevolgde procedure op een juiste manier is verlopen. Volgens eiseres had verweerder een inspraakmogelijkheid moeten bieden voor omwonenden in de vorm van een inspraakavond.
Zoals onder 7 is overwogen is de omgevingsvergunning verleend onder toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo. In afdeling 3.4 van de Awb is opgenomen wat in dat geval de eisen zijn die gesteld worden aan de procedure van vergunningverlening. In artikel 3:11, eerste lid, van de Awb staat dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit en de daarbij behorende stukken, ter inzage legt. Het moment van terinzagelegging is het eerste moment voor belanghebbenden om te reageren op het te nemen besluit. De terinzagelegging is het moment dat de juridische procedure, met termijnen, begint te lopen. Verweerder kan, maar is wettelijk niet verplicht om, voorafgaand aan de terinzagelegging belanghebbenden op een andere manier de mogelijkheid tot inspraak te bieden. De rechtbank ziet ook verder niet dat er procedurefouten zijn gemaakt door verweerder. De beroepsgrond slaagt niet.
De aanleg van het voet- en fietspad zorgt naar het oordeel van de rechtbank niet voor andere onevenredig nadelige gevolgen voor eiseres. Verweerder heeft hierbij terecht gewezen op de vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat aan het wonen in een verstedelijkte omgeving enige mate van geluidhinder en een zekere mate van inbreuk op privacy inherent is. [2]