ECLI:NL:RBMNE:2021:6207

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 november 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
UTR - 21 _ 2575
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 5 Wet op de zorgtoeslagArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 9 lid 1 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken zorgverzekering toeslagpartner bij zorgtoeslag 2020

Eiser ontving van september tot en met december 2020 zorgtoeslag voorschotten ter waarde van €799,-. De Belastingdienst herzag dit bedrag en stelde het vast op €0,-, omdat de toeslagpartner van eiser geen zorgverzekering had afgesloten. De rechtbank oordeelt dat deze herziening terecht is.

Volgens gegevens van de Immigratie- en Naturalisatiedienst had de toeslagpartner rechtmatig verblijf in de relevante periode, waardoor zij verplicht was een zorgverzekering af te sluiten. Zorgverzekeraar Ditzo weigerde de toeslagpartner te verzekeren, maar deze weigering leidt niet tot aanspraak op zorgtoeslag. De wettelijke regeling voor 2020 schrijft voor dat een toeslagpartner verzekerd moet zijn om aanspraak te maken op zorgtoeslag.

De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat eiser het ontvangen voorschot moet terugbetalen. Tevens wordt het griffierecht door verweerder aangeboden te vergoeden. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de toeslagpartner geen zorgverzekering had, waardoor eiser geen recht heeft op zorgtoeslag over 2020.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2575
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Di Vincenzo en mr. B. van Dongen).

Procesverloop

In het besluit van 6 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag voor eiser voor 2020 opnieuw berekend voor de periode vanaf 1 september 2020 en vastgesteld op € 0,-.
In het besluit van 29 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser heeft van september tot en met december 2020 voorschotten zorgtoeslag gekregen van in totaal € 799,-. Verweerder heeft in het primaire besluit het voorschot opnieuw berekend en vastgesteld op € 0,-. Dit betekent dat eiser het bedrag van € 799,- moet terugbetalen.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de zorgtoeslag van eiser heeft herzien en vastgesteld op € 0,-, omdat de toeslagpartner van eiser geen zorgverzekering had. [1]
3.1.
Uit de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verstrekte gegevens blijkt dat de toeslagpartner van eiser in de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 december 2020 verblijfscode 30 had. Code 30 betekent dat de vreemdeling een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) heeft aangevraagd en dat hij, zolang nog niet op die aanvraag is beslist, een verblijfsrecht als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw heeft. Dit wordt door eiser niet betwist. Verweerder heeft zich terecht gebaseerd op deze door de IND verstrekte gegevens. [2]
3.2.
Omdat de toeslagpartner van eiser in de periode van belang rechtmatig verblijf had, was zij verplicht om een zorgverzekering af te sluiten. Dat is niet gebeurd. Het is niet in geschil - en bovendien aannemelijk - dat zorgverzekeraar Ditzo heeft geweigerd om de toeslagpartner van eiser te verzekeren. Al valt te begrijpen dat eiser op het verkeerde been is gezet door de weigering en dus dacht dat hij geen zorgverzekering kon afsluiten, betekent deze weigering niet dat eiser recht heeft op zorgtoeslag. De wet is namelijk duidelijk. Een verzekerde maakt geen aanspraak op een zorgtoeslag als zijn partner niet is verzekerd, ook niet voor 50%. Verweerder moet zich aan deze regel houden. Dat deze regel vanaf 2021 niet langer geldt, betekent niet dat verweerder deze regel voor het berekeningsjaar 2020 (toen de regel gold) niet langer moet toepassen.
3.3.
Gelet op het voorgaande maakt eiser geen aanspraak op zorgtoeslag, ook niet voor 50%, omdat zijn toeslagpartner geen zorgverzekering had.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Verweerder heeft op de zitting aangeboden het griffierecht van € 49,- te vergoeden. Voor een verdere proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2021 door mr. M.R. van der Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
De rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de zorgtoeslag, zoals die gold in 2020.
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:877).