ECLI:NL:RBMNE:2021:6229

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 december 2021
Publicatiedatum
23 december 2021
Zaaknummer
UTR 21/3785
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep wegens te late aanvraag zorgtoeslag over 2015-2017

Eiser heeft zorgtoeslag aangevraagd over de jaren 2015, 2016 en 2017, maar deze aanvragen zijn te laat ingediend. De zorgtoeslag moest volgens de wet vóór respectievelijk 1 september 2016, 1 september 2017 en 1 september 2018 worden aangevraagd. Eiser diende pas in 2018 en 2020 aanvragen in, die door verweerder zijn afgewezen.

Eiser voerde aan dat hij in de betreffende jaren in Nederland heeft gewerkt en geen zorgtoeslag of vakantietoeslag heeft ontvangen. De rechtbank stelt echter vast dat de aanvraagtermijnen dwingend zijn en dat de wet geen mogelijkheid biedt om na de uiterste datum alsnog zorgtoeslag toe te kennen.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de inkomensafhankelijke regelingen bedoeld zijn als tegemoetkoming in actuele kosten en dat de uiterste aanvraagtermijnen niet kunnen worden overschreden, ook niet op grond van eerdere rechtspraak van de hoogste bestuursrechter.

Het feit dat eiser niet eerder op de hoogte was van de mogelijkheid tot aanvraag kan niet leiden tot een andere uitkomst. Omdat de aanvragen te laat zijn ingediend, is het niet relevant of een tijdige aanvraag succesvol zou zijn geweest.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens te late aanvraag van zorgtoeslag over 2015-2017.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3785

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigden: mr. A.A. Wubbs en A.N.J. van Dongen).

Procesverloop

In het besluit van 14 juli 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor zorgtoeslag over de jaren 2015, 2016 en 2017 afgewezen.
In het besluit van 2 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat deze te laat is ingediend. Eiser had de aanvraag zorgtoeslag over 2015 moeten aanvragen vóór 1 september 2016, de zorgtoeslag over 2016 voor 1 september 2017 en de aanvraag zorgtoeslag over 2017 voor 1 september 2018. [1] Eiser heeft pas op 3 september 2020 een eerste aanvraag ingediend. Op 5 oktober 2018 en op 22 november 2018 heeft eiser een (incomplete) aanvraag voor zorgtoeslag gedaan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wet hem geen mogelijkheid biedt om in dit geval in afwijking van de wet aan eiser zorgtoeslag voor 2015, 2016 en voor 2017 toe te kennen.
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij van 2015 tot 2018 in Nederland heeft gewerkt voor interim [bedrijf] , en dat hij in die periode geen zorgtoeslag en vakantietoeslag heeft ontvangen.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn aanvragen voor zorgtoeslag over de berekeningsjaren 2016, 2017 en 2018 te laat heeft ingediend. Dat had hij namelijk vóór 1 september 2017 (voor 2016), 1 september 2018 (voor 2017) en 1 september 2019 (voor 2018) moeten doen. Eiser heeft niet betwist dat hij de aanvraag voor zorgtoeslag voor die jaren niet eerder dan op 27 september 2018 heeft ingediend. De toeslagen zijn hierdoor niet binnen de in artikel 15, eerste lid van de Awir, gestelde termijn ingediend. De termijn voor het indienen van een aanvraag om zorgtoeslag is een dwingende termijn volgens de wet. Dit betekent dat er geen mogelijkheid is om na de uiterste datum alsnog een aanvraag te doen.
4. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de wet geen mogelijkheid of bepaling kent op basis waarvan verweerder tegemoet kan komen aan eisers verzoek. De inkomensafhankelijke regelingen zijn bedoeld als tegemoetkoming in de actuele kosten. Evenmin kan op grond van de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter worden afgeweken van deze dwingend voorgeschreven uiterste aanvraagtermijnen. [2] Hoe zuur het ook is voor eiser dat hij niet eerder op de hoogte was van de mogelijkheid om zorgtoeslag aan te vragen, dit kan niet leiden tot een andere conclusie.
5. Dat eiser heeft gewerkt, is voor de aanvraag voor de zorgtoeslag niet meer van belang. Nu vast staat dat eiser de zorgtoeslag over de jaren 2015, 2016 en 2017 niet tijdig heeft ingediend, is de beantwoording van de vraag of een tijdige aanvraag succesvol zou zijn geweest, niet relevant voor deze beoordeling.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is bekendgemaakt op 10 december 2021 door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
2.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1117