Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats 1] , eiser
[Derde partij]., te [plaats 2] , gemachtigde: drs. H.E. Wonnink.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser was werkzaam als orderpicker en meldde zich in 2012 ziek. Na een wachttijd van 104 weken werd hij voor 63,25% arbeidsongeschikt verklaard, waarna zijn WIA-uitkering werd omgezet in een vervolguitkering. Na een herbeoordeling in 2019 besloot verweerder dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 23 mei 2019. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op zorgvuldige medische en arbeidskundige rapportages heeft gebaseerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier grondig onderzocht en zijn oordeel duidelijk en consistent gemotiveerd. Eiser voerde aan dat zijn fysieke en psychische beperkingen zijn onderschat, ondersteund door diverse medische rapporten en brieven van specialisten.
De rechtbank concludeert echter dat de medische beoordeling van verweerder juist is en dat de klachten van eiser, hoewel aanwezig, niet leiden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan vastgesteld. Het verzoek van eiser om een onafhankelijke deskundige te benoemen wordt afgewezen. Ook de arbeidskundige beoordeling wordt als betrouwbaar beschouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering per 23 mei 2019 bevestigd.