ECLI:NL:RBMNE:2021:625

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2021
Publicatiedatum
18 februari 2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5011
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vaststelling WIA-uitkering en terugvordering

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn WIA-uitkering en de terugvordering van een bedrag over een bepaalde periode. In bezwaar beperkte eiser zich tot arbeidskundige gronden, die hij later introk. In beroep voerde hij medische gronden aan, stellende dat zijn beperkingen zijn onderschat.

De rechtbank constateert dat eiser in bezwaar geen inhoudelijke medische gronden heeft aangevoerd en dat hij de arbeidskundige gronden heeft laten vervallen. Het beroep richt zich op het ondeelbare rechtsgevolg van de vaststelling van de uitkering en de terugvordering, maar eiser heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd.

Daarom oordeelt de rechtbank dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter N.H.J.M. Veldman-Gielen en griffier A. Belhadi op 18 februari 2021.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de WIA-uitkering en terugvordering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/5011

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Rhodes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2019 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-80% (52,22%).
Bij besluit van 14 februari 2019 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser over de periode van 8 januari 2019 tot en met 28 februari 2019 een bedrag van bruto € 1438,37 moet terugbetalen.
Bij besluit van 14 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beslissingen van 11 februari 2019 en 14 februari 2019 ongegrond verklaard.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 13 januari 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met berichtgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
1. In het bezwaarschrift van 19 februari 2019 voert eiser aan dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de bezwaargronden van eiser onduidelijk waren en daarom een hoorzitting is gepland. Tijdens de hoorzitting op 9 juli 2019 heeft eiser aangevoerd dat hij alleen arbeidskundige gronden had. Tijdens de hoorzitting heeft eiser de hoogte van het vastgestelde maatmanloon bestreden en zijn er geen andere gronden aangevoerd. Vervolgens geeft eiser in de brief van 27 augustus 2019 aan dat hij de bezwaargronden met betrekking tot een verkeerd uurloon en urenomvang intrekt. Hij verwijst naar wat er tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht. Vervolgens voert eiser in beroep medische gronden aan. Hij meent dat zijn beperkingen zijn onderschat en hij de functies niet kan verrichten. De rechtbank heeft eiser daarna bij brief van 27 november 2019 gevraagd de gronden van het beroep mee te delen. Eiser heeft bij brief van 19 december 2019 aangegeven dat de beroepsgrond luidt zoals hiervoor is omschreven, waarbij hij zelf aangeeft dat deze niet gemotiveerd is.
Het oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank constateert dat eiser in bezwaar geen inhoudelijke medische gronden heeft aangevoerd tegen de toekenning van de WIA-uitkering. Voor zover eiser wel medische gronden heeft aangevoerd in bezwaar, heeft hij deze tijdens de hoorzitting weer ingetrokken. Eiser heeft er in bezwaar bewust voor gekozen om de gronden van bezwaar te beperken tot arbeidskundige gronden. Vervolgens heeft hij de arbeidskundige gronden laten vervallen. In beroep heeft eiser aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en hij de functies niet kan verrichten.
3. Anders dan verweerder meent is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het bezwaar en het beroep zijn gericht tegen het ondeelbare rechtsgevolg dat met het bestreden besluit tot stand is gebracht, namelijk de vaststelling van de (hoogte van de) WIA-uitkering en daarmee ook tegen de terugvordering van het teveel uitgekeerde bedrag. Eiser laat echter volstrekt na deze enkele stelling te onderbouwen. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, biedt daarom geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Daarmee is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.