ECLI:NL:RBMNE:2021:6257

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 december 2021
Publicatiedatum
24 december 2021
Zaaknummer
UTR - 21 _ 3001
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 AwbArt. 4:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op verzoek tot inschrijving en erkenning in BRP

Eiser diende op 25 februari 2021 twee verzoeken in bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht: inschrijving van zijn zoon in de Basisregistratie Personen (BRP) en het opmaken van een erkenningsakte met opname van de Nederlandse nationaliteit. Verweerder schreef de zoon per 31 maart 2021 in de BRP in, maar vroeg op 2 april 2021 om aanvullende documenten voor het tweede verzoek.

Eiser stelde verweerder op 29 juni 2021 in gebreke vanwege het uitblijven van een beslissing en stelde vervolgens beroep in wegens niet tijdig beslissen. Verweerder nam op 5 oktober 2021 een besluit waarin de erkenning werd verleend op basis van de overgelegde notariële akte.

De rechtbank oordeelde dat de beslistermijn voor het tweede verzoek op grond van artikel 4:13 Awb Pro acht weken bedroeg, maar dat deze termijn opgeschort was vanaf 2 april 2021 tot 15 september 2021 vanwege het verzoek om aanvullende documenten. Hierdoor was de ingebrekestelling prematuur en heeft verweerder geen dwangsom verbeurd. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de beslistermijn was opgeschort en geen dwangsom is verbeurd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3001

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2021 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigden: E. Chadid en T. Puertas).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvragen.
De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2021 op een Skype-zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De feiten
1. Op 25 februari 2021 heeft eiser twee verzoeken bij verweerder ingediend. Eiser heeft verzocht om zijn zoon [A] in de Basisregistratie Personen (BRP) te laten inschrijven (verzoek 1) en om een erkenningsakte op te maken c.q. de afstamming ontstaan in Colombia over te nemen, met opneming van de Nederlandse nationaliteit van zijn zoon (verzoek 2).
2. Verweerder heeft de zoon van eiser met ingang van 31 maart 2021 ingeschreven in de BRP.
3. Op 2 april 2021 heeft mevrouw [B] namens verweerder een e-mail gestuurd naar mevrouw [C] , coördinerend begeleider van Philadelphia Werk en Begeleiding, die eiser ondersteunde bij zijn verzoeken. Voor verweerder was het onduidelijk of tot erkenning kan en moet worden overgegaan. Verweerder heeft daarom gevraagd om extra documenten, zodat op het verzoek van eiser beslist kon worden.
4. Bij brief van 29 juni 2021 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en verzocht om binnen twee weken na dagtekening alsnog op het verzoek een beslissing te nemen. Op 14 juli 2021 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek.
5. Op 5 oktober 2021 heeft verweerder een besluit genomen. Verweerder heeft naar aanleiding van de notariële akte, die eiser op 15 september 2021 heeft overgelegd, besloten om de erkenning van zijn zoon uit Colombia in Nederland te erkennen en daarmee is van rechtswege de Nederlandse nationaliteit van zijn zoon ontstaan.
6. Eiser heef de rechtbank op 14 oktober 2021 laten weten dat hij het niet eens is met het besluit van verweerder van 5 oktober 2021, omdat verweerder niet is ingegaan op het feit dat te laat is beslist op de verzoeken die hij heeft ingediend. Eiser meent dat hij recht heeft op een dwangsom omdat verweerder te laat op zijn verzoek heeft beslist.
Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen dwangsom aan eiser heeft verbeurd en overweegt daartoe als volgt.
8. Verweerder heeft tijdig op verzoek 1 beslist, omdat het kind met ingang van 31 maart 2021 in de BRP is ingeschreven.
9. Er is geen wettelijke termijn waarbinnen verweerder op verzoek 2 moet beslissen. In zo’n geval geldt op grond van artikel 4:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een beslistermijn van acht weken. Eiser heeft de verzoeken ingediend op 25 februari 2021, dus dat betekent dat verweerder uiterlijk op 22 april 2021 had moeten beslissen.
10. Hoewel verweerder op 5 oktober 2021 een beslissing heeft genomen, is er geen sprake van een situatie waarin verweerder in gebreke was met het nemen van een beslissing op het verzoek van eiser. Op 2 april 2021 is aan eisers contactpersoon gevraagd om extra documenten, zodat op het verzoek beslist kon worden. De beslistermijn is toen opgeschort op grond van artikel 4:15 van Pro de Awb. Toen verweerder op 29 juni 2021 in gebreke werd gesteld, was de beslistermijn nog opgeschort. Deze beslistermijn is opgeschort geweest tot 15 september 2021, de dag waarop eiser zijn aanvraag heeft aangevuld. Op grond van de overgelegde informatie heeft verweerder vervolgens op het verzoek een beslissing kunnen nemen. Gelet op het voorgaande is de ingebrekestelling prematuur ingediend, waardoor verweerder geen dwangsom heeft verbeurd.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.