De zaak betreft een geschil over de kwalificatie van een onroerende zaak gelegen in het Science Park te Utrecht, die door verweerder als niet in hoofdzaak tot woning dienend is aangemerkt voor de OZB-heffing. Eiseres betwist deze kwalificatie en stelt dat de onroerende zaak als woning moet worden aangemerkt, althans dat de woondelenvrijstelling van toepassing is.
De rechtbank stelt vast dat het hoofdgebouw en het bijgebouw geschikt zijn voor menselijke bewoning, met slaapkamers, keukens, verblijfsruimtes en wasruimtes die door familieleden van zieke kinderen worden gebruikt. Hoewel het verblijf tijdelijk is en de ruimtelijke bestemming M-GZ betreft, is dit niet doorslaggevend voor de woningkwalificatie.
De rechtbank volgt de uitleg van de Hoge Raad dat het geschiktheidscriterium bepalend is voor de woningstatus, waarbij het bestemmingsplan slechts relevant is voor de aanwijzing van woongedeelten bij een onroerende zaak die als geheel niet als woning kan worden aangemerkt. Gezien de feiten is de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dienend.
Daarom vernietigt de rechtbank de aanslag OZB gebruikersheffing en stelt de aanslag eigenaarsbelasting vast op het woonwaardetarief van 0,0772% van de WOZ-waarde. Tevens veroordeelt zij verweerder tot vergoeding van proceskosten en taxatiekosten, en tot terugbetaling van het griffierecht.