ECLI:NL:RBMNE:2021:6304

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 december 2021
Publicatiedatum
30 december 2021
Zaaknummer
21/2107
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage en weigering IVA-uitkering

De erfgenamen van de overleden uitkeringsgerechtigde hebben beroep ingesteld tegen het UWV-besluit waarin het arbeidsongeschiktheidspercentage werd vastgesteld op 55,61%. Zij stelden dat hun overleden familielid recht had op een hogere IVA-uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op de datum in geding.

De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk behandeld ondanks het overlijden van de uitkeringsgerechtigde. De erfgenamen voerden aan dat er een verdergaande urenbeperking had moeten worden aangenomen en dat een expertiseonderzoek naar dyslexie had moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de bedrijfsarts niet relevant was voor de medische mogelijkheden op de datum in geding en dat de verzekeringsarts het medisch onderzoek voldoende had onderbouwd.

Ook het arbeidskundig onderzoek werd als juist beoordeeld, waarbij rekening was gehouden met leesproblemen en communicatiemogelijkheden. De rechtbank vond het beroep te algemeen om het arbeidskundig rapport te betwisten en concludeerde dat het arbeidsongeschiktheidspercentage correct was vastgesteld.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep van de erfgenamen tegen het UWV-besluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2107
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2021 in de zaak tussen

[eisers] , uit Soest, eisers

(gemachtigde: M.A.T. Huisman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Witte).

Inleiding

[naam overleden erflater] heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In het besluit van 18 augustus 2020 heeft het UWV [naam overleden erflater] een uitkering toegekend en daarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 38,08 %. In de beslissing op bezwaar van 7 april 2021 heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 55,61 %.
[naam overleden erflater] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Na het indienen van het beroepsschrift is [naam overleden erflater] overleden. Zijn erfgenamen (hierna: eisers) hebben de rechtbank laten weten dat zij het beroep willen voortzetten.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eisers vinden dat [naam overleden erflater] op 4 augustus 2020 (de datum in geding) recht had op een IVA [1] -uitkering omdat [naam overleden erflater] op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Een IVA-uitkering is hoger dan de uitkering die [naam overleden erflater] heeft gekregen. Daaruit volgt dat eisers procesbelang hebben. De rechtbank zal het beroep inhoudelijk behandelen.
3. Eisers voeren aan dat er een verdergaande urenbeperking aangenomen had moeten worden gelet op de verklaring van de bedrijfsarts. Verder zijn eisers van mening dat [naam overleden erflater] meer beperkt was dan is aangenomen in de functionelemogelijkhedenlijst (de FML). Ten slotte had volgens eisers een expertiseonderzoek uitgevoerd moeten worden naar de dyslexie van [naam overleden erflater] .
4. De rechtbank volgt eisers hierin niet. De door eisers overgelegde verklaring van de bedrijfsarts heeft betrekking op het aantal uren dat [naam overleden erflater] werkte voordat hij niet meer in staat was om te werken. Deze verklaring zegt niets over het aantal uren dat [naam overleden erflater] medisch gezien kon werken op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het medisch onderzoek voldoende onderbouwd dat de medische situatie van [naam overleden erflater] en de mogelijke dyslexie niet leiden tot verdergaande beperkingen in de FML. Eisers hebben geen medische verklaring overgelegd waaruit blijkt dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen in de FML. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de FML en gaat uit van de juistheid van de FML, waarin al diverse beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken waar eisers ook op wijzen. In het licht van de gemotiveerde beoordeling van de verzekeringsarts, bestond er geen reden om een expertiseonderzoek uit te voeren naar de mogelijke dyslexie van [naam overleden erflater] .
5. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld functies geduid die [naam overleden erflater] nog kon uitvoeren. Bij het vaststellen van deze functies is rekening gehouden met de leesproblemen en de communicatiemogelijkheden van [naam overleden erflater] . Wat er verder in beroep is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank te algemeen om te stellen dat het arbeidskundig rapport onjuist is. De functies zijn goed geduid en het arbeidsongeschiktheidspercentage klopt.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2021 door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.IVA staat voor Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.