ECLI:NL:RBMNE:2021:6315

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 december 2021
Publicatiedatum
30 december 2021
Zaaknummer
UTR 21/4841
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake Verklaring Omtrent het Gedrag

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister voor Rechtsbescherming om zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) af te wijzen.

De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake was van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Verzoeker stelde dat hij zonder VOG zijn baan en inkomsten zou verliezen, maar heeft dit niet met stukken onderbouwd ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank.

Omdat verzoeker niet aannemelijk maakte dat hij op korte termijn zijn baan en inkomen zou verliezen en ook niet aannemelijk maakte dat het bestreden besluit evident onrechtmatig was, concludeerde de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang bestond.

Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4841

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 december 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. N. Talhaoui),
en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 8 september 2021 (primair besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.
In het besluit van 6 december 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker heeft hierover in zijn verzoekschrift opgemerkt dat hij zijn baan en zijn inkomsten kwijt zal raken zonder VOG. Bij brief van 13 december 2021 heeft de rechtbank verzoeker gevraagd dit (zo mogelijk met stukken) te onderbouwen. Verzoeker heeft hierop gereageerd bij brief van 27 december 2021, maar hierin enkel herhaald dat hij zonder VOG zijn baan zal kwijtraken. Verzoeker heeft daarmee niet met stukken onderbouwd of nader toegelicht dat hij door het ontbreken van de VOG op korte termijn zijn baan en inkomsten zal verliezen en als gevolg daarvan niet meer in zijn primaire levensbehoeften zal kunnen voorzien.
De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verder volgt uit wat is aangevoerd niet op voorhand dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.