ECLI:NL:RBMNE:2021:6315
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake Verklaring Omtrent het Gedrag
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister voor Rechtsbescherming om zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) af te wijzen.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake was van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Verzoeker stelde dat hij zonder VOG zijn baan en inkomsten zou verliezen, maar heeft dit niet met stukken onderbouwd ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank.
Omdat verzoeker niet aannemelijk maakte dat hij op korte termijn zijn baan en inkomen zou verliezen en ook niet aannemelijk maakte dat het bestreden besluit evident onrechtmatig was, concludeerde de voorzieningenrechter dat er geen spoedeisend belang bestond.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.