ECLI:NL:RBMNE:2021:6322

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2021
Publicatiedatum
31 december 2021
Zaaknummer
UTR 21/2814
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015Wet langdurige zorgBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herzieningsverzoek huishoudelijke hulp en 24-uurs zorg onterecht als bezwaarschrift aangemerkt

Eiseres ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp voor de periode van september 2018 tot september 2019. Zij had daarnaast een aanvraag gedaan voor 24-uurs zorg, waarop verweerder niet volledig had beslist. Op 5 maart 2021 diende eiseres een herzieningsverzoek in, dat door verweerder ten onrechte als een bezwaarschrift werd aangemerkt en niet-ontvankelijk werd verklaard.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek van eiseres duidelijk als een herzieningsverzoek moest worden gezien, mede omdat dit expliciet in de brief stond vermeld en bevestigd werd in een e-mail. Het bestreden besluit waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard wordt daarom vernietigd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het geschil definitief te beslechten en stelt dat eiseres een nieuwe aanvraag mag indienen voor 24-uurs zorg over de periode april 2018 tot september 2019. Verweerder moet een beslissing nemen op deze nieuwe aanvraag. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; eiseres mag een nieuwe aanvraag voor 24-uurs zorg indienen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Flipse),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: M. de Graaf).

Inleiding en procesverloop

In het besluit van 26 maart 2019 heeft verweerder beslist dat eiseres huishoudelijke hulp krijgt voor 2 uur in de week voor de periode 26 september 2018 tot en met 25 september 2019. Dit is in de vorm een persoonsgebonden budget (pgb).
Eiseres heeft op 5 maart 2021 gevraagd om herziening van het besluit van 26 maart 2019.
Verweerder heeft dit verzoek om herziening opgevat als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit 26 maart 2019. Omdat het bezwaarschrift volgens verweerder te laat is ingediend, heeft verweerder bij besluit van 20 mei 2021 (bestreden besluit) het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 30 november 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ook zijn verschenen de heer [A] (echtgenoot van eiseres) en mevrouw [B] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft in oktober 2017 een hersenbloeding gehad. De echtgenoot van eiseres is toen voor haar gaan zorgen. Om dat mogelijk te maken, heeft eiseres op 26 september 2018 een aanvraag gedaan voor verschillende maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Eiseres wil deze maatwerkvoorzieningen ontvangen in de vorm een pgb. Inmiddels heeft eiseres sinds mei 2019 een indicatie voor 24 uurs zorg op de grond van de Wet langdurige zorg.
Standpunt van eiseres
2. Volgens eiseres heeft verweerder miskend dat zij vanaf de melding op 26 april 2018 al een aanvraag heeft gedaan voor 24 uurs zorg. In het besluit van 26 maart 2019 heeft verweerder alleen een beslissing genomen op de aanvraag voor huishoudelijke hulp, maar niet op de aanvraag voor 24 uurs zorg. Met het besluit van 26 maart 2019 is dus niet volledig beslist op de aanvraag van eiseres en daarom heeft eiseres op 5 maart 2021 een herzieningsverzoek ingediend. Verweerder heeft dit volgens eiseres ten onrechte aangemerkt als een bezwaarschrift.
Oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank oordeelt dat verweerder het herzieningsverzoek van 5 maart 2021 ten onrechte heeft aangemerkt als een bezwaarschrift. De brief van 5 maart 2021 geeft namelijk duidelijke aanwijzingen dat eiseres niets anders beoogd heeft dan het indienen van een herzieningsverzoek. Zo staat bovenaan de brief dikgedrukt “Betreft Herziening beschikking 26 maart 2019’. Aan het einde van de brief is vermeld: ‘Reden waarom u verzoekt de beschikking van 26 maart 2019 te herzien (…)”. Daar komt bij dat eiseres bij e-mailbericht van 5 april 2021 aan verweerder andermaal heeft aangegeven dat haar brief van 5 maart 2021 een herzieningsverzoek en geen bezwaarschrift betrof. Gelet op deze aanwijzingen, had het verweerder duidelijk kunnen en moeten zijn dat eiseres met haar brief van 5 maart 2021 bedoeld had om te verzoeken om een herziening van het besluit van 26 maart 2019. Dat de brief van 5 maart 2021 ook het woord “bezwaarschrift” bevat, maakt dit oordeel niet anders.
4. Hieruit vloeit voort dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres van 5 maart 2021 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ten onrechte is verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan op het herzieningsverzoek.
Conclusie
5. Alleen al omdat verweerder een verkeerd dictum heeft gebruikt in het bestreden besluit, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank beperkt zich tot dit oordeel en ziet geen aanleiding om het geschil op de één of andere manier te finaliseren. De rechtbank gaat verder voorbij aan het verweerschrift van 12 november 2021, waarin verweerder alsnog een beoordeling van het herzieningsverzoek heeft gemaakt. Hiertoe geldt het volgende.
6. Ter zitting is duidelijk geworden dat eiseres weliswaar een herzieningsverzoek heeft ingediend, maar dat zij verweerder niet heeft gevraagd om ergens op terug te komen. Wat eiseres wil, is dat verweerder alsnog beslist op haar aanvraag om 24 uurs zorg. Hoewel eiseres heeft aangevoerd dat zij dit wel heeft willen doen, heeft zij hiertoe formeel geen aanvraag gedaan. Ter zitting hebben partijen afgesproken dat eiseres voor de periode van
26 april 2018 tot en met 25 september 2019 alsnog een aanvraag mag indienen voor 24 uurs zorg. Eiseres zal moeten onderbouwen dat haar echtgenoot in die periode 24 uurs zorg aan haar heeft verleend. Verweerder zal dan een beslissing nemen op de aanvraag om 24 uurs zorg, betrekking hebbend op de genoemde periode.
7. De rechtbank verklaart het beroep dus gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet het griffierecht van € 49,- aan eiseres vergoeden. Zoals aangegeven onder 6., zal eiseres een nieuwe aanvraag indienen en zal verweerder daarop een beslissing nemen.
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 748,-), bij een wegingsfactor 1. In totaal wordt dus € 1.496,- toegekend.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Vranken, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 29 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.