Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
- veroordeelt verdachte tot een
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
120 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd,
tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt daarbij een
- legt op aan verdachte de
- de maatregel van Toezicht & Begeleiding, uit te voeren door Samen Veilig Flevoland;
- het meewerken aan een ambulante zelfstandigheidstraining of een soortgelijke interventie vanuit Triade Vitree of een soortgelijke instelling;
- het meewerken aan behandeling vanuit GGZ Bosman te Lelystad of een soortgelijke instelling;
- het meewerken aan de invulling van een dagbesteding in de vorm van onderwijs;
- draagt de gecertificeerde instelling Samen Veilig op de tenuitvoerlegging van de maatregel te ondersteunen;
- beveelt dat
- beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat op grond van artikel 77w, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar is;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.835,00;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2019 tot de dag van volledige betaling;
- wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft de meer gevorderde materiële schade af;
- verklaart [slachtoffer 1] wat betreft de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 3.835,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2019 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met nul (0) dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;