ECLI:NL:RBMNE:2021:635
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens onvoldoende bewijs onjuistheid persoonsgegevens in BRP
Eiser heeft verzocht om wijziging van zijn persoonsgegevens in de Basisregistratie Personen (BRP), onderbouwd met diverse documenten en een DNA-onderzoek. Verweerder heeft het primaire verzoek afgewezen en later het bezwaar gegrond verklaard, maar het verzoek inhoudelijk alsnog afgewezen. Eiser stelde dat het DNA-onderzoek en de documenten voldoende bewijs vormden, terwijl verweerder stelde dat het verband tussen deze stukken en de geregistreerde gegevens niet onomstotelijk was aangetoond.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet heeft aangetoond dat de in de BRP geregistreerde gegevens onjuist zijn. Het DNA-onderzoek kan als aanvullend bewijs dienen, maar is geen brondocument zoals vereist. Bovendien waren er tegenstrijdige verklaringen van eiser die niet overeenkwamen met de documenten. De rechtbank verwierp het beroep wegens gebrek aan onomstotelijk bewijs.
Verder werd geoordeeld dat de wijziging van de grondslag in de bezwaarprocedure niet in strijd was met het fair play-beginsel of artikel 7:2 Awb Pro, zodat terugwijzing niet nodig was. De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ter onderbouwing van haar oordeel.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij niet onomstotelijk heeft aangetoond dat zijn persoonsgegevens in de BRP onjuist zijn.