De zaak betreft een verzetprocedure tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2021, waarin het beroep van opposant ongegrond werd verklaard wegens het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift. Opposant stelde dat het bezwaarschrift op 9 maart 2020 tijdig per gewone post was verzonden, onderbouwd met een eigen verzendadministratie en een getuigenverklaring van een secretaresse.
De rechtbank beoordeelde in deze verzetprocedure niet de inhoud van het bezwaar, maar of de eerdere beslissing om zonder zitting te beslissen correct was omdat er geen twijfel over de uitkomst bestond. De rechtbank concludeerde dat de verzendadministratie onvoldoende bewijs leverde dat het bezwaarschrift daadwerkelijk op de gestelde datum ter post was gegeven, mede omdat de ontvangende postdienst geen ontvangstbewijs had afgegeven. De getuigenverklaring bood geen verifieerbaar bewijs van verzending.
Verder was het bezwaarschrift dat op 11 april 2020 per e-mail werd verzonden te laat, aangezien de bezwaartermijn op 13 maart 2020 was geëindigd. De overige aangevoerde gronden boden geen aanleiding tot gegrondverklaring van het verzet.
De rechtbank verklaarde het verzet daarom ongegrond en handhaafde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.