Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2021 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] ,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort,
Inleiding
Met het besluit van 8 april 2021 (primair besluit) heeft het college de gevraagde vergunning geweigerd om inhoudelijke redenen.
De standpunten
Volgens artikel 1.2, eerste lid, van de Verordening geldt voor de aanvraag van eiser een beslistermijn van acht weken. Het college heeft niet binnen deze acht weken beslist en het college heeft de beslistermijn ook niet verlengd zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid, van de Verordening. Omdat het college niet binnen de beslistermijn van acht weken heeft gereageerd op de aanvraag van eiser, is er volgens eiser sprake van een van rechtswege verleende vergunning.
Het standpunt van het college
De beoordelingOmgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo
Voor de beantwoording van deze vraag is de uitleg van artikel 2.2 van de Wabo bepalend. In artikel 2.2, eerste lid, van de Wabo staat dat bij bepaalde activiteiten een omgevingsvergunning is vereist, als voor die activiteiten een vergunning of ontheffing is vereist volgens een bepaling in – voor zover relevant – de gemeentelijke verordening. In artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo staat dat het college ook voor andere activiteiten – die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving – kan bepalen dat deze activiteiten niet zonder omgevingsvergunning uitgevoerd mogen worden.
In de memorie van toelichting op artikel 2.2, tweede lid, van de Wabo [1] is onder meer opgenomen:
‘Dit lid biedt geen ongeclausuleerde mogelijkheid om bij verordening onderdelen aan de omgevingsvergunning toe te voegen. Niet alleen op centraal niveau, maar ook decentraal leeft de gedachte dat niet onnodig moet worden gereguleerd. (..) Als echter regulering in de vorm van een vergunningstelsel nodig blijft of blijkt, ligt het voor de hand om aansluiting te zoeken bij de omgevingsvergunning. Het gaat hier dus geenszins om een uitnodiging tot het introduceren van nieuwe regels.Zou blijken dat minder dan mogelijk is gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om aan te sluiten bij de omgevingsvergunning, dan kan worden overwogen om activiteiten waarvoor bij verordeningen nieuwe vergunningstelsels zijn ingesteld op te nemen in het eerste lid en daarmee die aansluiting te bewerkstelligen.’
De vergunningplicht voor de door eiser aangevraagde activiteit vloeit alleen voort uit de Verordening. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de vergunning wordt voorbereid op grond van de toepasselijke bepalingen uit de Awb en de Verordening.