ECLI:NL:RBMNE:2021:6472

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2021
Publicatiedatum
19 januari 2022
Zaaknummer
UTR 21/4611
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 ParticipatiewetArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling gemeente in proceskosten na intrekking bijstandsintrekking

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de gemeente Stichtse Vecht om zijn bijstandsuitkering per 18 oktober 2021 in te trekken op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet. Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Vervolgens trok de gemeente het besluit in en besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten.

Naar aanleiding hiervan trok verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht de voorzieningenrechter de gemeente te veroordelen in de proceskosten. De gemeente verzette zich hier niet tegen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de gemeente aan het verzoek tegemoet was gekomen en wees het verzoek tot proceskostenvergoeding toe.

De proceskosten werden vastgesteld op € 1.282,-, gebaseerd op de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met een puntensysteem conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tevens wees de voorzieningenrechter erop dat verzoeker het betaalde griffierecht van € 49,- bij de gemeente kan declareren.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 29 december 2021 door voorzieningenrechter R.J.A. Schaaf en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gemeente Stichtse Vecht in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.282,-.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4611

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 december 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder
(gemachtigde: J. Hekelaar).

Procesverloop

In het besluit van 27 oktober 2021 (primair besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van verzoeker op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet (Pw) met ingang van 18 oktober 2021 ingetrokken.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
In het besluit van 16 december 2021 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken en in plaats daarvan besloten de uitkering van verzoeker ongewijzigd voor te zetten.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat zich niet ter verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopigevoorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.282,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 534,- en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 748,-), met een wegingsfactor 1.
5. De voorzieningenrechter wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb het door verzoeker betaalde griffierecht van € 49,- kan vergoeden. Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.282,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is uitgesproken op 29 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.