Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
€ 2.368,52 gehanteerd. De stelling van eiser dat verweerder wel de vermogensgrens van artikel 34 van Pro de Pw hanteert in gevallen van personen die vóór de benoeming van ZEKER als bewindvoerder al bijzondere bijstand ontvingen, maakt dit niet anders. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie gelijk is aan die gevallen. Niet in geschil is dat zijn bijzondere bijstand in januari 2019 is gestopt. Eiser ontving dus direct voorafgaand aan de wisseling van de bewindvoerder geen bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering. Aangezien verweerder de vermogensgrens terecht heeft vastgesteld op € 2.012,16, heeft verweerder ook terecht het standpunt ingenomen dat eiser voldoende vermogen heeft om de kosten van bewindvoering zelf te betalen.