ECLI:NL:RBMNE:2021:6515

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 november 2021
Publicatiedatum
24 januari 2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4607
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging persoonsgebonden budget

Eiser had bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder om zijn persoonsgebonden budget met ingang van 11 december 2019 te beëindigen. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. Eiser stelde dat hij het bezwaar tijdig per gewone post had verzonden, maar dit kon hij niet aantonen. Nadat verweerder het bezwaar niet had ontvangen, diende eiser het opnieuw per aangetekende post in, maar dit was te laat.

De rechtbank oordeelde dat het risico van het niet aankomen van een per gewone post verzonden bezwaar bij de verzender ligt. Eiser kon niet aannemelijk maken dat hij het bezwaar tijdig had ingediend en dat het zoek was geraakt bij verweerder. Zonder een goede reden voor de te late indiening moest het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4607

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

8 november 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigden: S.A. van Velzen en E. Eijkelkamp),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Gezer).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het persoonsgebonden budget van eiser met ingang van 11 december 2019 beëindigd.
Bij besluit van 5 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat eiser het bezwaar te laat zou hebben ingediend.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De uitleg van de rechtbank

1. Vast staat dat verweerder het primaire besluit op 10 januari 2020 bekend heeft gemaakt.
De bezwaartermijn van zes weken eindigde dus op 21 februari 2020. [1]
2. Eiser heeft gesteld dat hij op 21 februari 2020 een bezwaarschrift aan verweerder heeft gezonden. Dit bezwaarschrift is niet aangetekend verzonden. Omdat eiser niks hoorde van verweerder, heeft hij half juli 2020 contact opgenomen. Omdat verweerder toen tegen hem heeft gezegd dat het bezwaarschrift niet was ontvangen, heeft hij op 25 augustus 2020 opnieuw zijn bezwaarschrift ingediend, dit keer per aangetekende post. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder aantoonbaar slordig is omgegaan met het bezwaarschrift dat op 25 augustus 2020 is verzonden. Eiser vindt dat het daarom aannemelijk is dat het bezwaar dat hij op 21 februari 2020 heeft verzonden, wel bij verweerder is aangekomen maar daar is zoek geraakt. Het is volgens eiser aan verweerder om het tegendeel aannemelijk te maken.
3. De rechtbank is het niet met eiser eens dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift van 21 februari 2020 niet is ontvangen. Het risico dat een per gewone post verzonden poststuk de geadresseerde niet (tijdig) bereikt, komt voor rekening van de verzender. [2] Eiser heeft erkend dat hij niet kan aantonen dat hij dit bezwaarschrift heeft verzonden. Dat verweerder volgens eiser slordig is omgegaan met het bezwaarschrift van 25 augustus 2020, betekent niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 21 februari 2020 een bezwaarschrift heeft ingediend bij verweerder en/of dat dit bij verweerder zou zijn zoek geraakt.
4. De rechtbank overweegt verder als volgt. Het bezwaarschrift van 25 augustus 2020 is op 1 september 2020 door verweerder ontvangen. Dat is dus te laat. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet verweerder op grond van de wet het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als er een goede reden is dat iemand het bezwaar te laat heeft ingediend. [3] Eiser heeft geen goede reden gegeven voor de te late indiening van zijn bezwaarschrift. Het enige dat eiser in dit verband namelijk heeft aangevoerd, is dat verweerder zijn eerdere bezwaarschrift vermoedelijk is kwijt geraakt en dat hij daar pas half juli 2020 achter kwam. Zoals uit overweging 3 volgt, wordt die stelling van eiser verworpen.
5. Verweerder heeft dus terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2021 door
mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier, en wordt ook gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze uitspraakmede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het
proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:7, 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4272.
3.Vergelijk artikel 6:11 van Pro de Awb.